top of page

De uitgewiste horizon. Religie, autoriteit en zingeving in een verdeelde tijd. 

Bijgewerkt op: 7 nov 2025

Recent gaf Remco Evenepoel aan steun te hebben gevonden in de Islam. Deze uitspraak gaf aanleiding tot uiteenlopende reacties. De belangstelling van Evenepoel voor de Islam kan gezien worden als een spiegel van een bredere trend in de samenleving. De zoektocht naar betekenis in een wereld die, door de voortdurende wetenschappelijke vooruitgang en de onttovering van onze traditionele geloofssystemen, steeds complexer en onzekerder aanvoelt. In onze moderne maatschappij lijkt geloof voor velen niet langer vanzelfsprekend deel uit te maken van het leven. Waar religie eeuwenlang het morele, sociale en culturele fundament vormde van het samenleven, is het vandaag vaak gereduceerd tot een privékwestie of vervangen door alternatieve vormen van zingeving. We leven dan misschien wel in een geseculariseerde samenleving, toch is geloof, in welke vorm dan ook, niet verdwenen. Het is slechts van gedaante veranderd. Daarnaast heeft het steeds sterker geseculariseerde Westen te maken met mensen met een migratieachtergrond die wel sterk hechten aan hun geloof: de Islam.  


Meer dan ooit staat de Westerse mens voor de uitdaging om zelf richting, betekenis en verbondenheid te creëren in een wereld die haar oude zekerheden verloren heeft. De normen en waarden, waar de Westerse democratische samenleving op gebouwd is, worden vanuit verschillende hoeken onder druk gezet. Dit brengt ons bij een belangrijke reflectie over de veranderende rol van geloof en zingeving in onze moderne maatschappij en hoe we door een sterke fragmentatie het steeds moeilijker hebben een samenleving op te bouwen rond gedeelde normen en waarden.  


In deze tekst beschrijf ik aan de hand van verschillende sociologen, filosofen, natuurwetenschappers hoe de mens in het Westen steeds meer afstand heeft genomen ten opzichte van God en welke gevolgen dat heeft voor onze samenleving vandaag. Wat betekent het voor een samenleving wanneer religie haar vanzelfsprekende plaats verliest, en welk mensbeeld blijft er over in het vacuüm van de onttoverde wereld?  Ik heb af en toe een link geplaatst naar andere teksten op deze site of naar interessant filmmateriaal. Dit is meer bedoeld als achtergrond voor zij die meer willen weten. Ik denk dat dit een sterke meerwaarde creëert, maar je kan ook gewoon de tekst lezen. Een tekst zoals deze is ook nooit af. Wie opmerkingen, vragen, suggesties heeft, mag dit altijd laten weten onderaan de tekst.


Veel lees- en denkplezier.


 

Geloof, Autoriteit en Fragmentatie in een Onttoverde Wereld  

De Franse socioloog Émile Durkheim (1858-1917) wees er al op dat religie in essentie een sociaal fenomeen is. Geloof functioneert volgens hem als een collectieve ervaring die de groep samenhoudt en haar waarden bevestigt. Zelfs in een geseculariseerde wereld blijft de behoefte aan symbolen, rituelen en beleving in gemeenschap bestaan. Zij het in nieuwe vormen: van burgerlijke rituelen tot morele bewegingen rond onder andere klimaat, gender of technologie.  Wie meer wil weten over het denken van Durkheim raad ik onderstaande, inhoudelijk zeer sterke video aan (de man die je hieronder ziet afgebeeld is echter niet Durkheim, maar wel de Franse schrijver Emile Zola)

Max Weber (1864 –1920), een van de grondleggers van de sociologie, beschreef reeds aan het eind van de 19e eeuw hoe de mens met de opkomst van de industrialisatie en technologische ontwikkeling, in een tijd van onttovering was terechtgekomen. De wereld verloor haar magische, religieuze betekenislaag door de opkomst van het wetenschappelijk denken. Dat wetenschappelijk denken dat natuurlijk ook veel “vooruitgang” bracht, maar elke evolutie heeft ook zijn prijs.  


Frictie tussen wetenschappelijke ontdekkingen en het traditionele geloof

Doorheen de geschiedenis stelden een reeks belangrijke wetenschappelijke ontdekkingen het traditionele geloof in een goddelijke orde steeds meer in vraag.

  

Copernicus (1473–1543) en Galilei (1564-1642) toonden reeds in de 15e en 16e eeuw aan dat de aarde niet het centrum van het universum is, maar slechts een planeet onder velen.


Isaac Newton (1643–1727) toonde met zijn zwaartekrachtswetten aan dat de kosmos op voorspelbare, wiskundige principes rust. Hoewel zelf religieus, versterkte hij het idee van een mechanisch universum dat geen voortdurende goddelijke sturing vereist.


Pierre-Simon Laplace (1749–1827) werkte dit verder uit in een volledig deterministisch wereldbeeld. Toen Napoleon hem vroeg waarom God in zijn theorie ontbrak, antwoordde hij: “Ik had die hypothese niet nodig.”


Auguste Comte (1798–1857), grondlegger van de sociologie, zag de mensheid evolueren van een religieus via een metafysisch naar een positief (wetenschappelijk) stadium. In zijn positivisme werd wetenschap een alternatief zingevend kader voor religie.


Karl Marx (1818–1883) leverde een radicale maatschappelijke kritiek op religie. In zijn ogen was religie geen bron van waarheid, maar een sociaal fenomeen dat mensen troost biedt in een onrechtvaardige wereld. Zijn beroemde uitspraak dat religie “het opium van het volk” is, wijst niet op minachting, maar op mededogen: religie verzacht het lijden, maar houdt tegelijk de onderliggende ongelijkheid in stand. Zingeving moet volgens Marx niet gezocht worden in het hiernamaals, maar in de bevrijding van mens en arbeid in het hier en nu. Religie verdwijnt, stelde hij, niet omdat ze wordt weerlegd, maar omdat de sociale omstandigheden die haar noodzakelijk maken, veranderen.



In de 19e eeuw kwam Charles Darwin (1809-1882) met zijn evolutietheorie, waarin de mens niet langer werd gezien als een doelgericht schepsel van God, maar als het toeval van natuurlijke selectie.  



In de 20e en 21e eeuw bieden kosmologie en genetica verklaringen voor het ontstaan van het universum en het leven zonder nood aan bovennatuurlijke tussenkomst. Denk aan de Big Bang-theorie of evolutionaire denkers als Richard Dawkins (1941–), die aantonen dat zelfs morele intuïties uit de evolutie verklaard kunnen worden.



De zoektocht naar zingeving: denken over god(en) en hoe te leven in een goddeloze wereld

Het denken over god(en) en over hoe de mens moet leven vormt sinds de Oudheid een van de kernvragen van de westerse filosofie. Van metafysische systemen tot ethische levenspraktijken. De vraag naar het hogere en naar het juiste leven zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden gebleven.


Zo stelde Democritos (ca. 460 – ca. 370 v.Chr.) al dat alles bestaat uit atomen en lege ruimte: geen ziel, geen goddelijke wil, enkel materie in beweging. Epicurus (341 – 270 v.Chr.) bouwde daarop voort: volgens hem hoefde de mens geen angst te hebben voor goden of de dood, want de goden bemoeien zich niet met ons. Zingeving ligt in het hier en nu, in rust en matigheid. Verrassend modern.


Een belangrijke overgangsfiguur tussen klassieke en moderne tijd is Michel de Montaigne (1533–1592). In zijn Essais onderzoekt hij op persoonlijke, sceptische wijze wat het betekent om mens te zijn. Montaigne ondermijnt absolute waarheden, ook religieuze, en benadrukt het belang van zelfonderzoek, relativisme en menselijke maat. Zijn motto “Que sais-je?” – Wat weet ik? – vat zijn bescheiden, maar moedige houding samen. Voor Montaigne ligt wijsheid in het aanvaarden van onzekerheid, en zingeving in het cultiveren van een evenwichtig en bewust leven.

Bij René Descartes (1596–1650) verschoof het denken definitief van theologie naar rationalisme. Hoewel hij in God bleef geloven, stelde hij dat de mens enkel zeker kan zijn van zijn eigen denken — Cogito ergo sum — en daarmee zette hij de mens, niet God, centraal. Zijn scheiding tussen lichaam en geest zette ook aan tot kritische reflectie over de ziel en onsterfelijkheid. Belangrijk is ook het introduceren van de radicale twijfel is een belangrijk fundament voor de verlichtingsfilosofen.


Baruch Spinoza (1632–1677). In zijn werk Ethica herdefinieert hij God niet als een persoonlijke schepper, maar als de natuur zelf: Deus sive Natura. Spinoza's God is geen wil of persoon, maar de noodzakelijke orde van het universum. God staat niet buiten of boven de schepping, maar is deel van de schepping. Ook stelde hij dat religieuze teksten zoals de Bijbel niet letterlijk gelezen moeten worden, maar historisch en kritisch. Spinoza's denken effende zo het pad voor het moderne, geseculariseerde wereldbeeld van de Verlichtingsfilosofen waarin rede en vrijheid centraal staan.  


Binnen de Verlichting bouwden denkers als Voltaire (1694-1778) en Immanuel Kant (1724-1804) verder op deze fundamenten. Voltaire was een uitgesproken criticus van religieuze dogma’s en kerkelijke macht. Hij hing het verlichte deïsme aan: het idee dat God hoogstens gezien kan worden als een horlogemaker die de wereld op gang heeft gebracht, maar er zich verder niet mee bemoeit. God is er nog — maar zonder wonderen, zonder openbaring, zonder kerk. Godsdienst heeft in die visie geen zin, want God staat onverschillig tegenover zijn schepping.  


Toch bleef Voltaire geloven in een zekere orde en moraal. In zijn satirische roman Candide ou l’Optimisme (1759) fileert hij het religieuze fanatisme, het onkritisch optimisme van Leibniz en de morele hypocrisie van zijn tijd. Uiteindelijk kiest Candide niet voor een groot ideologisch project of religieuze openbaring, maar voor het concrete, alledaagse handelen: "Il faut cultiver notre jardin." We moeten onze eigen tuin cultiveren — zorg dragen voor ons directe leven, ons werk, onze relaties. Hiermee pleit Voltaire voor een praktische ethiek als antwoord op de chaos van de wereld: nuchter, werkend, verbonden met de werkelijkheid. 


Immanuel Kant (1724–1804) verlegt het debat over geloof naar de moraal. Religie wordt meer een ethisch kader dat de menselijke autonomie versterkt. Het morele gezag ligt niet langer bij een externe God, maar bij de innerlijke wet van het geweten. De mens moet voor zichzelf denken. Sapere aude! Durf te denken! Zijn filosofie is een poging om geloof, rede en moraal in een rationeel kader te behouden zonder terug te grijpen naar dogma’s. 


Parallel aan deze gematigde of hervormende stromingen ontstond in de achttiende eeuw ook een radicalere tak van de Verlichting, zoals beschreven in Het Verdorven Genootschap (2010) van Philipp Blom. In de salons van Baron d’Holbach (1723–1789) kwamen denkers als Denis Diderot (1713–1784), Jean le Rond d’Alembert (1717–1783), Claude Adrien Helvétius (1715–1771) en David Hume (1711–1776), Jean-Jacques Rousseau (1712-1778) samen om fundamentele vragen te stellen over religie, moraal en mensbeeld. Deze radicalen gingen veel verder dan Voltaire. Zij pleitten niet voor een andere invulling van religie, maar voor een wereld zonder God, zonder ziel, zonder metafysische zin. 


Thiry d’Holbach werkte in Système de la nature (1770) een strikt materialistisch wereldbeeld uit: alles is materie in beweging, inclusief de mens. Er is geen vrije wil, geen bovennatuurlijke ziel, geen leven na de dood. Moraal is geen goddelijke opdracht, maar een menselijke constructie gebaseerd op ervaring en rede. Religie, stelde hij, is vooral een vorm van onderdrukking gebaseerd op angst — vooral angst voor de dood. Deze visie legde mee de fundamenten voor het atheïsme, het secularisme en het moderne naturalisme. 

De Encyclopédie van Diderot en d’Alembert belichaamde diezelfde radicale geest. Door alle menselijke kennis systematisch en kritisch te verzamelen — alfabetisch geordend, als breuk met de theologische hiërarchie — werd rede boven openbaring geplaatst. Via subtiele ironie, verborgen kritiek daagde de Encyclopédie de religieuze en politieke orde rechtstreeks uit. 


Tussen rede en passie

De achttiende eeuw wordt vaak voorgesteld als het tijdperk waarin de rede (ratio) centraal kwam te staan. Denkers als Diderot, Holbach, en Voltaire vertrouwden op wetenschap, logica en empirische kennis als de weg naar waarheid en vooruitgang. Volgens hen moesten gevoelens, religie en traditie ondergeschikt gemaakt worden aan de kritische rede. Ze geloofden dat de mens — mits goed geïnformeerd — rationeel zou handelen in het belang van zichzelf én de samenleving, maar die redelijkheid botste al snel op haar grenzen. Want mensen zijn niet enkel rationeel. Ze worden net zo goed gestuurd door angst, verlangens, hoop, liefde, jaloezie, haat en religiositeit. Binnen de Verlichting waren er ook stemmen die dat gevoel serieus namen zoals Jean-Jacques Rousseau, maar ook David Hume.


Rousseau vond dat de Verlichting de mens vervreemdde van zijn natuurlijke gevoelens. Wetenschap en kunst maakten de mens wel beschaafd, maar tegelijk ijdel, onoprecht en ongelukkig. Voor Rousseau was het innerlijke gevoel, het geweten, het medelijden, het religieuze sentiment, de ware basis van moraal. Hij wantrouwde een zuiver rationele moraal, omdat die vaak koud, afstandelijk en sociaal elitair werd. Een gevoel dat ook vandaag zeer actueel is.


David Hume, die zich op het eerste gezicht als sceptisch rationalist opstelt, stelt in werkelijkheid iets gelijkaardigs:


“De rede is, en behoort slechts te zijn, de slaaf van de passies.”


Hume geloofde dat morele oordelen uiteindelijk gebaseerd zijn op gevoelens, niet op logica. We handelen moreel niet omdat het logisch is, maar omdat we meeleven met anderen, omdat we geraakt worden. Hoe we het dus ook proberen de rede zal het gevoel nooit overwinnen.


De opkomst van de Verlichting leidde in de loop van de achttiende en negentiende eeuw ook tot reactie en verzet. Niet iedereen aanvaardde het primaat van de rede zonder meer. Uit onvrede met het koude rationalisme ontstond de Romantiek: een culturele en filosofische stroming die gevoel, verbeelding, natuur en het sublieme centraal stelde. Romantici verzetten zich tegen het idee dat de mens volledig begrepen en gevormd kon worden door wetenschap en logica. Ze beklemtoonden de mysterie van het bestaan, de innerlijke beleving, en het belang van emotie, intuïtie en het irrationele. Kunst, poëzie, religieuze vervoering en natuurbelevenis werden gezien als diepere bronnen van waarheid dan berekening of systematisch denken. In zekere zin borduurde de Romantiek verder op het emotionele verzet dat Rousseau al had ingezet binnen de Verlichting zelf. In de literatuur gaven bijvoorbeeld de Brontë-zussen — Charlotte, Emily en Anne — vorm aan die romantische gevoelswereld met intense, emotioneel geladen verhalen over passie, vervreemding en het verlangen naar liefde en vrijheid (denk aanJ ane Eyre, Wuthering Heights). In de beeldende kunst schilderde Caspar David Friedrich overweldigende landschappen vol eenzaamheid en spirituele diepgang, zoals De wandelaar boven de nevelen en  Monnik aan zee.

"Mönch am Meer" (Monk by the Sea) - Caspar David Friedrich, geschilderd tussen 1808 en 1810.
"Mönch am Meer" (Monk by the Sea) - Caspar David Friedrich, geschilderd tussen 1808 en 1810.

Hij toonde hoe klein de mens is tegenover de natuur en het sublieme. In de muziek vertaalde Ludwig van Beethoven deze romantische gevoeligheid in krachtige composities vol emotionele expressie, persoonlijke strijd en idealisme. Zijn muziek, zoals de Negende symfonie, was geen versiering maar een uitdrukking van innerlijk vuur. De Romantiek zette zo de mens als voelend wezen centraal, en benadrukte wat de Verlichting vaak vergat: dat mensen bovenal verlangen naar betekenis, liefde en verbondenheid.


De romantiek heeft onmiskenbaar een invloed gehad om de grote Duitse filosofen Arthur Schopenhauer (1788-1860) en Friedrich Nietzsche (1844-1900). Beiden zetten zich af tegen het rationalisme van de Verlichting en benadrukten het belang van gevoel, wil, intuïtie, kunst en tragiek. Schopenhauer zag de wereld als gestuurd door een irrationele wil en vond in kunst en muziek de enige troost tegen het lijden – een typisch romantisch motief. Nietzsche beklemtoonde de kracht van het leven, het dionysische, en het instinctieve als tegengewicht voor moraal, rede en religie. Toch zijn ze geen romantici in de klassieke zin: Schopenhauer was een radicale pessimist, Nietzsche een felle criticus van medelijden en zwakte. Ze nemen dus romantische thema’s over, maar herwerken die tot een eigen, vaak tegendraadse filosofie.


Schopenhauer stelde dat we niet gestuurd worden door rede, maar door een blinde, irrationele wil — wat later in de 20e eeuw door ondermeer Sigmund Freud (1856-1939) verder werd uitgewerkt in zijn psychoanalyse: de mens is geen rationeel autonoom wezen, maar onderhevig aan onbewuste driften.  

De mens verloor zo zijn unieke, centrale plaats in de kosmos, in de natuur én in zijn eigen bewustzijn. We zijn niet speciaal en de schepping draait niet rond ons. De klassieke religieuze wereldvisie kwam in het Westen hierdoor fundamenteel onder druk te staan. 


Met Nietzsche bereikt deze ontwikkeling haar hoogtepunt. In zijn beroemde parabel van de dolle mens stormt een verward figuur over de markt met een brandende lantaarn in het volle daglicht, zoekend naar God. Omstaanders lachen hem uit en zeggen hem dat het geen zin meer heeft om te zoeken want God is dood. “God is dood,” roept de Dolle Mens. “En wij hebben hem gedood — jij en ik.” De lachende mensen op het dorpsplein beseffen niet wat de impact is van de dood van God. De dolle mens is een profeet die hen probeert wakker te schudden. Wat Nietzsche met deze parabel bedoelt, is dat de moderne mens de religieuze fundamenten heeft losgelaten, maar nog geen nieuwe zingeving heeft gevonden. Nietzsche zag dit als een kans om nieuwe waarden te scheppen die het leven bevestigen en versterken en introduceerde het concept van de Übermensch als een ideaal van zelfoverstijging, als iemand die zijn eigen waarden schept en die niet gebonden is aan de traditionele moraal of religieuze normen.  


In Nietzsches "Also sprach Zarathustra" (1883) speelt de Übermensch een centrale rol. Zarathustra is een filosofische profeet die de komst van de Übermensch verkondigt en zijn ideeën over zelfoverstijging en de betekenis van het menselijk bestaan verkent. Zarathustra kondigt de komst van de Übermensch aan als het volgende evolutionaire stadium van de mensheid. De mens is, Darwin in gedachten, nog niet af.  

Niet iedereen kan een übermensch worden, velen zullen behoren tot wat Nietzsche de laatste mens noemt. De ‘laatste mens’ is volgens Nietzsche het tegenovergestelde van de Übermensch. Hij is tevreden met comfort, veiligheid en banaliteit. Hij vermijdt risico’s, uitdagingen of hogere doelen en leeft zonder groots verlangen. Nietzsche beschrijft hem spottend als iemand die ‘met zijn ogen knippert’. In de woorden van Zarathustra geeft Nietzsche aan: “Zij hebben het geluk uitgevonden – de laatste mensen.” Wat is dat geluk binnen een leven dat spiritueel en intellectueel leeg is? Dit is een waarschuwing tegen spirituele en intellectuele luiheid in een samenleving zonder waarden. De mens leeft in het vacuüm dat volgt op de onttovering: de mens is vrij, maar stuurloos.  

Het verdwijnen van het geloof in het Westen zet de mensen voor het dilemma van de uitgewiste horizon. Een belangrijk onderdeel van een geloofssysteem als het Christendom is dat het de gelovigen een perspectief biedt. Dat perspectief dat eeuwenlang generaties gelovigen had betoverd, komt door alle reeds beschreven wetenschappelijk en filosofische ontwikkeling onder druk. De industrialisatie, de technologische en wetenschappelijke vooruitgang verandert het leven ingrijpend. Het rationele lijkt het te winnen van de emotie en van het geloof. De betovering wordt steeds verder teruggedrongen tot het gegeven van de onttoverde wereld. Het uitwissen van die glorende horizon werkt echter niet uitsluitend bevrijden. Er ontstaat tegelijk een breed gedeeld sentiment dat verval dreigt, dat waarden en normen sterk onder druk staan. Vrijheid en een te groot vertrouwen in de rede gaat voorbij aan het feit dat de mens een emotioneel wezen is, waar naast de rede ook het gevoel haar plaats opeist. Verlichting versus Romantiek.  


Cor Hermans schreef een zeer interessante cultuurgeschiedenis van de 19e eeuw tot en met de start van WOI: De uitgewiste horizon. Europa’s obsessie met cultureel verval 1835-1914 (2023). In deze omvangrijke studie toont Hermans aan hoe de grootste denkers en schrijvers van de negentiende eeuw bevangen raakten door het schrikbeeld van het naderende verval van de Europese cultuur. De moderne Europese mens leek ernstig te lijden onder een existentiële spirituele desoriëntatie, veroorzaakt door de snelle maatschappelijke veranderingen, de teloorgang van tradities en religieuze zekerheden en de gefnuikte idealen van de Verlichting. De sentimenten beschreven in dit boek zijn zeer herkenbaar voor de tijd van nu.  

Albert Camus, schrijvend in de twintigste eeuw en sterk beïnvloed door Nietzsche, stelt in De mythe van Sisyphus (1942) een nieuwe vraag: is het leven de moeite waard als het geen hogere zin heeft? Camus noemt het gevoel van zinloosheid het absurde: de confrontatie tussen de menselijke hunkering naar betekenis en het zwijgen van de wereld. Zijn antwoord is geen terugkeer naar religie, maar een opstand tegen het absurde. In de figuur van Sisyphus, die eeuwig een steen de berg opduwt, ziet Camus het symbool van de mens die het absurde erkent, maar niet opgeeft. "Men moet zich Sisyphus als een gelukkig mens voorstellen." Het leven is geen opdracht van een God, maar een eigen verantwoordelijkheid: in de luciditeit, in de trouw aan het bestaan zonder illusie, schuilt menselijke waardigheid. 


In de twintigste eeuw vinden we ook bij vier invloedrijke vrouwelijke denkers — Hannah Arendt (1906–1975), Simone de Beauvoir (1908–1986), Simone Weil (1909–1943) en Ayn Rand (1905–1982) — vernieuwende antwoorden op de vraag naar zingeving in een onttoverde wereld. Zoals Wolfram Eilenberger beschrijft in Het vuur van de vrijheid (2022), zochten zij elk hun eigen weg tussen rede, ervaring, geloof en autonomie. 

Hannah Arendt zag religie niet als noodzakelijke bron van zingeving. Voor haar lag betekenis in het menselijke handelen, vooral in de publieke sfeer. Vrijheid betekende het vermogen tot nieuw begin, tot nataliteit, en zingeving ontstond in het samenleven en spreken met anderen — een seculiere, relationele benadering. 


Simone de Beauvoir verwierp traditioneel geloof, maar benadrukte morele verantwoordelijkheid. In haar existentieel humanisme krijgt zingeving pas gestalte in de ontmoeting met de ander: vrijheid is pas echt wanneer zij gedeeld en erkend wordt. Zingeving is relationeel en ethisch geworteld. 


Simone Weil daarentegen ontwikkelde een diep spiritueel gedachtegoed. Hoewel ze zich verzette tegen dogmatische religie, vond ze betekenis in aandacht, lijden en de mystieke ervaring van zelfverlies. Voor haar is ware vrijheid het loslaten van het ego en openstaan voor een hogere, transcendente orde — een vorm van religieuze mystiek zonder kerk. 


Ayn Rand keerde zich juist fel tegen religie. Zij ontwikkelde een radicaal seculier denken waarin zingeving voortkomt uit rationele autonomie, persoonlijke ambitie en creatieve zelfverwerkelijking. In haar objectivisme is de mens zijn eigen maatstaf en is geloof een obstakel voor vrijheid en individualiteit. 

Zo voegen deze vier denkers een nieuwe laag toe aan het moderne gesprek over zingeving: tussen religieus herstel, existentieel verzet, mystieke ontvankelijkheid en rationeel egoïsme tonen zij hoe divers de wegen zijn die de mens kan bewandelen na het wegvallen van het traditionele geloof. 


Recent las ik het essay van Nederlands filosoof Menno de Bree stelt in zijn essay “De goddeloze generatie,” in Het Financieele Dagblad (5/06/24), dat jongeren vandaag niet alleen in een seculiere wereld leven, maar ook geen herinnering meer hebben aan een tijd waarin religie of cultuur als zingevend kader functioneerde. De Bree stelt dat de jongeren die nu opgroeien de eerste generatie is die leeft met de ‘geïnternaliseerde dood van God’ zoals door Nietzsche beschreven. Hun ouders en grootouders waren ofwel nog gelovig ofwel nog echt cultuurchristen. Daarmee wordt bedoeld dat de verhalen, de tradities, de rituelen uit het geloof nog een betekenis hadden voor hen en dat die al dan niet onbewust een rol speelden in hun leven. Al dan niet bewust gaf het geloof een bepaalde structuur, een bepaald ritme. Die structuur is meer en meer weggevallen. Jongeren groeien op zonder vaste structuren. De grote verhalen zijn weggevallen, en wat rest is een wereld vol keuzes, maar zonder richting. Het is aan het individu om richting te geven. Wees jezelf en maak er iets van! Zo veel vrijheid is echter moeilijk om dragen. De mens leeft in het vacuüm dat volgt op de onttovering: de mens is vrij, maar de vrijheid is voor velen te groot.  


Zo ontvouwt zich, van de Klassieke Oudheid over Montaigne, Spinoza tot Camus, en verder tot Arendt, De Beauvoir, Weil en Rand, een filosofische genealogie van bevrijding én verlies. De religieuze horizon is uitgewist; wat rest is de vrijheid van de moderne mens. Maar met die vrijheid komt ook de plicht tot zelf denken, tot het scheppen van nieuwe kaders, tot het cultiveren van onze eigen tuin in een wereld zonder vanzelfsprekendheid. Tussen Voltaires nuchtere moraal, Diderots radicale rede, Nietzsches zelfoverstijging en Camus’ absurde trouw groeit het profiel van de moderne middenmens: iemand die niet gelooft in absolute zin, maar ook niet op de vlucht slaat. Iemand die blijft denken, blijft doen, en weigert zich te laten knechten door angst of gemak. 


Ook in de hedendaagse filosofie klinkt een echo van de spanning tussen rede en gevoel, die in de Verlichting en Romantiek zo prominent aanwezig was. In haar boek Stil de tijd (2010) pleit de Nederlandse filosofe Joke J. Hermsen voor een herwaardering van innerlijke tijd, traagheid, rust en reflectie in een samenleving die gedomineerd wordt door snelheid, efficiëntie en externe kloktijd. Ze grijpt daarbij bewust terug op romantische denkers en kunstenaars, en beklemtoont – net als Rousseau en Schopenhauer – dat de mens geen rationeel systeemwezen is, maar leeft vanuit herinnering, verbeelding, verlangen en kwetsbaarheid. In tijden van burn-out, prestatiedruk en digitale overprikkeling is haar werk een krachtig pleidooi voor zingeving, aandacht en menselijke diepgang. Zo toont Hermsen hoe ook vandaag nog de strijd tussen ratio en gevoel actueel blijft, en dat het denken van Diderot, Rousseau en hun tijdgenoten meer dan ooit relevant is.

 


De Mens als Groepsdier en de Rol van Religie  

Het is belangrijk te beseffen dat de mens sinds de cognitieve revolutie – het moment waarop homo sapiens begon na te denken over zichzelf, de wereld en het bestaan – steeds gezocht heeft naar betekenis en richting. Religie bood van meet af aan niet alleen antwoorden op metafysische vragen, maar ook een gedeeld denkkader dat het leven ordende. Het bood houvast, zowel op individueel als op collectief niveau. In die zin fungeerde religie als een gids voor het juiste leven én als cement van de samenleving.  

Tegelijkertijd is dit vertrouwen in religie nooit zonder prijs. Dezelfde systemen die troost bieden, bezitten ook de macht om te onderdrukken. Door het monopolie op waarheid en zingeving kunnen religieuze instituten bepalen wie erbij hoort en wie niet, wat goed is en wat fout, wat heilig is en wat zondig.  

Het was precies deze dubbele rol – die van bevrijding én verknechting – die Nietzsche op scherp stelde in zijn beroemde uitspraak “God is dood”. De dood van God betekende niet alleen het einde van religieuze dominantie, maar ook het wegvallen van een moreel en existentieel anker. In het licht van die breuk moeten we als moderne mensen zélf onze waarden en richtlijnen formuleren. Maar dat blijkt voor velen een bijna onmogelijke opdracht. Niet alleen omdat het morele kompas ontbreekt, maar ook omdat de mens van nature een groepsdier is. Evolutionair gezien was het onmogelijk om solitair te overleven. Onze soort is gebouwd op samenwerking, sociale banden en gedeelde overtuigingen. Zelfs nu, in een zogezegd hyperindividualistische samenleving, zoeken mensen voortdurend naar vormen van collectieve identiteit – via cultuur, ideologie, sociale media of levensstijl. Daarom is de vraag niet alleen hoe we zonder God moeten leven, maar ook: wat komt ervoor in de plaats? Hoe hervinden we verbinding, gemeenschap en betekenis in een wereld waar traditionele kaders zijn weggevallen? Deze vraag vormt het hart van de existentiële zoektocht van de moderne mens.  


 

Modern Gezag in een Onttoverde Wereld  

De onttovering van de wereld heeft niet alleen religieuze fundamenten ondermijnd, maar ook de aard van gezag fundamenteel veranderd. Waar vroeger geloof en traditie een vanzelfsprekende basis vormden voor collectief gezag, moeten we dat vandaag zelf construeren. Hannah Arendt (1906-1975) benadrukt dat gezag niet draait om dwang of macht, maar om een gedeeld vertrouwen in gemeenschappelijke waarden en instituties. Wanneer die gedeelde overtuigingen vervagen, verliest autoriteit haar legitimiteit en ontstaat ruimte voor relativisme en populisme. 


Dit sluit nauw aan bij de centrale vraag van deze tekst: hoe geven we betekenis en richting in een tijd waarin oude zekerheden vervagen? Zoals Arendt stelt, betekent het verlies van autoriteit niet automatisch meer vrijheid, maar vaak juist verwarring. In een samenleving waarin “iedereen zijn eigen waarheid” heeft, wordt het steeds moeilijker om betrouwbare ankerpunten te vinden — of het nu om politiek, religie of wetenschap gaat.  

Zoals Nietzsche waarschuwde voor de leegte na de “dood van God” zo wijzen denkers als Arendt op de kwetsbaarheid van een maatschappij zonder gedeeld moreel fundament. Het verlies van autoriteit bedreigt uiteindelijk de stabiliteit van het sociale contract en maakt de samenleving vatbaar voor wantrouwen en versnippering. In 2022 schreef filosofe Tinneke Beeckman een essay over autoriteit. Wat betekent gezag vandaag nog? Je kan het beluisteren: https://podcasts.apple.com/ch/podcast/deel-2-autoriteit/id1601826502?i=1000546624070

 

  

De prijs van de democratisering

De crisis van gezag en zingeving heeft niet alleen filosofische wortels, maar ook concrete politieke en maatschappelijke gevolgen. Dit wordt nergens duidelijker dan in de paradox van onze democratische verworvenheden.  


De Westerse democratie is in hoge mate gevormd door de Verlichting. Deze intellectuele omwenteling heeft een enorme bevrijding teweeggebracht. De mens werd aangespoord tot zelfstandig denken, los van traditie en dogma, en verwierf zo toegang tot politieke en individuele rechten, wetenschappelijke rationaliteit en democratische zelfbeschikking. Nergens in tijd en plaats is de mens als individu zo vrij geweest van willekeur, maar deze emancipatie heft ook een prijs. Het Westen worstelt met de paradox van vrijheid: een mensbeeld dat zichzelf bevrijdde, maar daardoor ook de vaste ankerpunten verloor die richting gaven aan het leven. En het is dat wat veel mensen nodig hebben, een kader dat functioneert als een alledaags moreel en spiritueel kompas.  

 

De postmoderne tijd, gekarakteriseerd door relativisme en ontmaskering van objectieve waarheden, lijkt daarom op te gaan in een tijd van zelfgekozen autoriteit. De mens wordt geconfronteerd met de verantwoordelijkheid om zelf normen en waarheden te construeren, en dit leidt tot een vergaande versnippering van de maatschappij. Het is niet eenvoudig te leven in een wereld die ongekend veel vrijheid en keuzes biedt, maar de mens ook de zware taak oplegt om er zelf wat van te maken zonder concrete richtlijnen.


De zoektocht naar collectieve zingeving

Psycholoog Paul Verhaeghe heeft ondermeer in zijn boek Identiteit (2011) betoogd dat de moderne samenleving, gedreven door neoliberale waarden en marktdenken, leidt tot een verlies aan collectieve zingeving. Hij stelt dat de nadruk op individuele prestaties en economische efficiëntie de traditionele bronnen van betekenis, zoals religie en gemeenschap, heeft ondermijnd.  Dit idee van fragmentering is een thema in veel Westerse landen 


Jérôme Fourquet, Frans socioloog, analyseert de Franse samenleving en beschrijft hoe deze steeds meer uiteenvalt in verschillende ‘eilanden’ van identiteiten en culturen. In zijn werk L'Archipel français. Naissance dune nation multiple et divisée (2019) stelt hij dat de afbrokkeling van gedeelde waarden, zoals die van de kerk en politieke ideologieën, heeft geleid tot een verlies van sociale samenhang in Frankrijk. Fragmentatie in de Franse samenleving, volgens Fourquet, leidt tot politieke instabiliteit en opkomst van protestbewegingen, zoals de Gele Hesjes.  


David Betz, professor aan het King’s college in Londen met een focus op oorlogsvoering en geopolitiek, benadrukt dat het verval van gedeelde waarheden en maatschappelijke cohesie de stabiliteit van staten bedreigt. Het verlies van monopolies op informatie en geweld tast de veiligheid van de westerse staten aan.  

Vooruitzichten die tot nadenken stemmen en actie vereisen om het tij te keren. Maar hoe en kan dit nog?  

 

De terugkeer van de middenmens  

De reeds genoemde verlichtingsfilosoof Voltaire laat Candide, hoofdpersonage uit zijn filosofische novelle Candide ou l’Optimisme (1759) tot het besef komen dat geluk en zingeving niet liggen in het oplossen van de grote vragen of het verklaren van het lijden, maar in het eenvoudige handelen, het verzorgen van het concrete leven. Vandaar de beroemde slotsom van het boek: “Il faut cultiver notre jardin”. Het is aan ons de mens om onze energie te richten op het verbeteren van onze eigen leefomgeving, op arbeid, zorg, en solidariteit — zaken die we zelf in de hand hebben. Candide als middenmens. 



In een tijd van extreme polarisatie, waarin nuance vaak ver te zoeken is, dreigt het midden te verdwijnen. Toch is het juist die tussenpositie - niet slap of kleurloos, maar doordacht en evenwichtig -die beschaving mogelijk maakt. In het midden ontstaat ruimte voor dialoog, compromis en duurzame verandering. Historische vooruitgang kwam zelden voort enkel uit radicale actie, maar kreeg pas vorm door het moeizame werk van onderhandelen, structureren en verbinden. Vandaag is er een groeiende behoefte aan mensen die niet schreeuwen, maar nadenken — aan ‘middenmensen’ die bruggen slaan tussen botsende waarheden en blijven zoeken naar gemeenschappelijkheid, zelfs in onzekerheid.  


Het idee van de middenmens — iemand die bewust kiest voor evenwicht, nuance en morele afweging — vindt diepe wortels in de geschiedenis van het westerse denken. Verschillende filosofen hebben, ieder op hun manier, gepleit voor een levenshouding die de extremen vermijdt en het midden zoekt als bron van wijsheid. Albert Camus (1913-1960) riep in zijn l’Homme Révolté (1951) op tot gematigde rebellie. Verzet tegen onrecht moet altijd gepaard gaan met respect voor menselijke waardigheid. Hij wantrouwde ideologische radicalen, die in hun ijver voor abstracte idealen vaak vergaten wat het betekent om mens te zijn. Ook hier komt de middenmens in beeld. Degene die protesteert, maar niet vernietigt; die kritisch is, maar verbonden blijft met het concrete menselijke leven. Khalid Benhaddou schreef in Knack op 21/04/2025 een pleidooi voor de terugkeer van de middenmens. Niet als grijze muis maar als een stille rebel.  

 

Conclusie  

De zoektocht naar zingeving in een tijd van onttovering is geen nieuw fenomeen, maar krijgt vandaag een bijzondere urgentie. In een wereld waarin religieuze kaders en gedeelde normen hun vanzelfsprekendheid hebben verloren, groeit de nood aan nieuwe vormen van betekenisgeving, verbondenheid en gezag. De interesse in andere religies zoals de Islam, of het toenemend beroep op coaches en spirituele gidsen, weerspiegelt de honger naar richting in een cultuur die worstelt met fragmentatie en relativisme. Tegelijkertijd klinkt er een pleidooi voor een herwaardering van het midden — voor een mensbeeld dat niet rust op uitersten, maar op reflectie, matiging en morele intelligentie. Deze middenmens, geworteld in een rijke filosofische traditie van Aristoteles tot nu, vertegenwoordigt misschien wel het antwoord op de existentiële onrust van onze tijd. Niet als allesweter of prediker, maar als behoeder van dialoog, nuance en redelijkheid. In een samenleving die steeds vaker uiteenvalt in eilandjes van overtuiging, is het juist deze middenpositie die kan verbinden, helen en richting geven aan de toekomst.  

Misschien is het tijd om ons af te vragen of de toekomst werkelijk ligt in de strijd tussen uitersten, of juist in het moeizame maar vruchtbare midden waarin zingeving, gemeenschap en vrijheid opnieuw vorm kunnen krijgen?  

 

Meer lezen?  


 
 
 

1 opmerking


Jens
22 jul 2025

Ik heb je tekst met veel aandacht gelezen. Knap werk: een boeiende en bijzonder rijke verkenning van hoe religie, zingeving en autoriteit zich historisch ontwikkeld hebben — van klassieke denkers tot hedendaagse reflecties.Wat voeg ik daar graag aan toe?

Je besluit met de stelling dat de zoektocht naar zingeving vandaag een bijzondere urgentie kent. Dat herken ik ook. Tegelijk is die ervaring van urgentie paradoxaal: wanneer is het níét urgent geweest voor mensen om betekenis te zoeken? Misschien is het gevoel zelf een constante — maar krijgt het telkens een andere vorm, afhankelijk van de structuren die aan het schuiven zijn.

Ik verbind dit gevoel van ontwrichting vandaag niet enkel aan het wegvallen van religieuze kaders, maar ook aan technologische…

Like
bottom of page