Het derde leven van Stijn Streuvels (2014) Ludo Simons
- Wouter Vanderstraeten
- 3 dec 2025
- 7 minuten om te lezen
Bijgewerkt op: 18 dec 2025

Waarom Streuvels?
Ik weet niet of het herkenbaar is, maar volgens mij kan je via het lezen van boeken een band opbouwen met de persoon die het geschreven heeft. Mijn band met Streuvels was in eerste instantie geografisch. Ik woon al vijftien jaar in Anzegem, in Kaster, op enkele kilometers van Ingooigem waar het Lijsternest staat. Als je hier wandelt of fietst, leer je de streek kennen zoals ze is. Het ritme van de seizoenen, het reliëf, hier en daar nog een herinnering aan de stilte, maar ook de constante druk van de modernisering die het landschap steeds weer verandert. Dat maakt dat Streuvels voor mij geen ver-van-mijn-bed-auteur is, maar iemand die de wereld die ik dagelijks zie, in taal heeft vastgelegd. Vroeg of laat moest ik dus zijn werk ontdekken en beleven. Eerst las ik De Vlasschaard en ik was direct verkocht. Zowel de beschrijving van het landschap als de beschrijving van het plattelandsleven spraken enorm aan. Tegelijk ook de universaliteit van de thema's: generatieconflicten, geloof versus bijgeloof, de verhouding tussen mens en natuur, vrijheid tegenover gebondenheid, en de constante zoektocht naar zingeving en rechtvaardigheid.
Het belang ook om verbondenheid te voelen met de grond. Het gaat om bewustzijn: weten waar je leeft, wie hier voor jou rondliep, hoe mensen werkten, dachten, leefden. Streuvels helpt daarbij omdat hij de leefwereld van de late 19de en vroege 20ste eeuw op een manier beschrijft die nog altijd inzichtelijk is. Het doet je beseffen dat je een schakel vormt in een eindeloos lange keten en dat je een verantwoordelijkheid hebt voor de schakels of generaties die na jou komen.
Etiketten kleven op het oeuvre van auteurs is vaak te gemakzuchtig. Streuvels wordt al te vaak weggezet als “onleesbaar” of “ouderwets”, of gereduceerd tot een schrijver van “boerenverhalen”. Zijn werk vraagt aandacht, zijn taal moet je leren kennen. Eenmaal dit is gebeurd, krijg je er ook echt iets voor terug.

Schrijf eens een brief
Na deze zomer (2025) in De Standaard der Letteren de brief van Erik Vlaminck aan Stijn Streuvels gelezen te hebben, schreef ik spontaan een antwoord op die brief. Erik Vlaminck stuurde me een mooie mail terug en raadde me aan om contact op te nemen met Leentje Vandemeulebroecke (Jo Gisekin). En zo correspondeerde ik dan plots met de kleindochter van Stijn Streuvels. Samen met mijn vrouw Cathy woonde ik in september de voorstelling van haar recentste dichtbundel bij in het Museum van Deinze en de Leiestreek. De bundel bevat beeldgedichten bij schilderijen van bekende Leie-schilders zoals Emile Claus, Gustave Van de Woestyne, Frits van den Berghe, Valerius De Saedeleer, Albert Saverys, Hubert Malfait, Roger Raveel en anderen. Via het gedicht duik je als het ware het schilderij in. Hieronder vind je een voorbeeld.

Laatst kregen we een pakketje in de brievenbus met de dichtbundels Dooitijd en Alja. Bundels waar we al van tijd tot tijd reeds in gelezen hebben. later daar nog meer over. In het pakket zat ook Het derde leven van Stijn Streuvels waarvan je hieronder meer duiding vindt.
Het derde leven van Stijn Streuvels
Het derde leven van Stijn Streuvels is geschreven door Ludo Simons, de man van Leentje Vandemeulebroecke én ondermeer voormalig directeur van het Letterenhuis en de Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience in Antwerpen een groot kenner van Streuvels en nog veel meer. De tekst is de neerslag van een lezing die Ludo Simons hield aan de Universiteit Antwerpen over de waarderingsgeschiedenis van Stijn Streuvels en werd gepubliceerd in 1994 naar aanleiding van de heropening van het Lijsternest in Ingooigem als Streuvelsmuseum en schrijversresidentie.

Ludo Simons schetst niet zomaar een biografisch portret. Hij onderzoekt hoe men in de loop van de tijd naar Streuvels heeft gekeken en plaatst zijn werk in een bredere literaire context.
De titel verwijst naar de manier waarop Streuvels in de loop van meer dan een eeuw is gelezen en herdacht. Zijn eerste leven is dat van de auteur zelf, het ontstaan van zijn oeuvre, zijn plaats in het literaire veld. Het tweede leven omvat de receptie van Streuvels tussen pakweg 1900 en 1980: eerst door zijn generatiegenoten, later door critici en academici van de naoorlogse generatie. In die lange periode probeerden zij zijn werk te plaatsen binnen de toen geldende literaire normen en stromingen. Het derde leven, waar de lezing van Ludo Simons zich expliciet op richt, vormt een hedendaagse herwaardering. Een nieuwe, onbevangen blik die voorbij die verstarde oordelen probeert te kijken.
Ludo Simons kaart een aantal hardnekkige clichés aan. Vooral de kritiek van Hedwig Speliers en Marcel Janssens krijgt de nodige nuance. Zij droegen, elk op hun manier, bij aan een beeldvorming die Streuvels steeds vaker herleidde tot clichés en simplificaties. Hierdoor kantelde het beeld geleidelijk en raakte het hardnekkige etiket van “streekschrijver” of “verouderd auteur” stevig verankerd.
Hedwig Speliers stelde dat Streuvels gevangen bleef in een “voorbij-sociologische realiteit”. Het archaïsch boerenleven dat weinig relevant zou zijn voor moderne lezers, te taai, te dialectisch, te weinig psychologische of metafysische diepgang. De interpretatie was, zoals Ludo Simons argumenteert, echter selectief. Speliers negeerde werken die juist rijk zijn aan perspectief en symboliek. Het Memoriaal van Streuvels (autobiografische dagboeken en notities), de briefwisseling en de ontwikkeling die Streuvels doormaakte, worden grotendeels door Speliers genegeerd. Zijn kritiek vertrok immers vanuit het modernistische waardesysteem dat sinds de jaren ’60 dominant was en dat realistisch-naturalistische auteurs als achterhaald beschouwde. Het oordeel over Streuvels stond vooraf vast en het bewijs moest volgen.
Ook Marcel Janssens, in zijn essay Het is zo stil rond Streuvels, zag vooral een auteur die niet meer aansloot bij de moderniteit, te verhalend, te weinig stedelijke thema’s. Ludo Simons argumenteert dat de analyse te eng was, te zeer gericht op een bepaald type modernisme. Daardoor werd niet gezien hoe Streuvels op zijn eigen manier vernieuwend was in taal, ritme, zintuiglijkheid en tijdservaring.
Ludo Simons pleit niet voor een kritiekloze heiligverklaring, maar voor een eerlijke, genuanceerde lezing. Met die blik krijg je een beeld van Stijn Streuvels dat complexer, internationaler, gevoeliger en "moderner" is dan zijn reputatie doet vermoeden. Vanuit mijn eigen leeservaring kan ik zijn tegenargumentatie op het werk van Speliers en Janssens goed begrijpen. In werken als Langs de wegen en De oogst ervaar je hoe Streuvels' taal niet louter beschrijvend is, maar lichamelijk en zintuiglijk werkt: de invloed van de weerselementen, het landschap, de seizoenen drukken zwaar op mens, hun arbeid en bepalen hoe zij hun bestaan ervaren. Het ritme van het proza volgt daar niet de logica van de plot, maar die van natuur en herhaling. In De teleurgang van de Waterhoek krijgt ruimte een andere functie. Het landschap wordt een spanningsveld tussen stilstand en verandering, waarin het gevoel van onontkoombaarheid en noodlot steeds sterker aanwezig is. Het leven en de dood in den ast toont hoe Streuvels tijd als een zware, repetitieve ervaring kan ervaren worden, waarin arbeid, uitputting en besef van eindigheid samenvallen. Doorheen al deze werken speelt ook de wisselwerking tussen geloof, bijgeloof en soms zelfs ongeloof een bepalende rol. De personages zoeken houvast in traditie en ritueel, maar botsen tegelijk op de grenzen daarvan. Tijdens de scène van het onweer in De Vlaschaard wordt dat alles samengebald als een soort apotheose van het generatieconflict tussen vader en zoon, waarbij natuur en noodlot samenvallen in een symbolische confrontatie tussen behoud én verandering. Niet zozeer door vormbreuk, maar wel door ritme, zintuiglijkheid en een diep doorleefde ervaring van tijd en lot was Streuvels vernieuwend.
De lezing van Het derde leven van Stijn Streuvels laat duidelijk zien hoe Streuvels functioneerde binnen een breed literair netwerk. Vooral via de uitgebreide correspondentie met Emmanuel de Bom blijkt dat hij niet in isolatie schreef, maar voortdurend in dialoog stond met tijdgenoten. De Bom, een sleutelfiguur in het Vlaamse literaire veld, speelde een belangrijke rol bij de introductie van Streuvels in de literaire wereld van die tijd. De briefwisseling toont niet alleen de praktische kant van het schrijverschap zoals publicatiemogelijkheden, advies, contacten, maar ook hoe Streuvels zich positioneerde, welke auteurs hem inspireerden, en hoe hij reageerde op het literaire klimaat van zijn tijd. Ook wordt dieper ingegaan op uitgeversinitiatieven zoals De Vlaamsche Bibliotheek van Emmanuel de Bom. Een poging om herkenbare Nederlandstalige literatuur uit Vlaanderen zichtbaar en bereikbaar te maken. Deze context bood Streuvels de mogelijkheid om zijn stem in een bredere beweging te situeren. Streuvels las, reageerde, bevroeg en werd bevraagd. Brieven met collega-schrijvers, gesprekken met uitgevers, ontmoetingen met kunstenaars,... Een uitgebreid netwerk waarin hij zijn plaats zocht. Hij was niet de geïsoleerde boerenschrijver ver van de stad. Hij was wel iemand die via dialogen met anderen zijn eigen project en taal steeds bewuster vormgaf. Iets wat vaak onderschat wordt in latere kritiek of in het vastgekleefde beeld van hem als “alleen een streekschrijver”. Meer over Emmanuel de Bom en zijn band met Stijn Streuvels kan je vinden via:

Wie al eens in het Lijsternest in Ingooigem is geweest en daar de bibliotheek van Streuvels heeft bekeken, weet dat de schrijver een zeer brede literaire kennis had en dat hij zich verdiepte in klassieke én moderne wereldliteratuur. Dat blijkt ook uit het Memoriaal, waarin hij nauwgezet noteerde wat hij las, welke auteurs hem bezighielden en hoe die lectuur mee zijn denkwereld vormde.
Hij volgde dus niet alleen wat er in zijn eigen taalgebied gebeurde, maar ook wat internationaal vernieuwend of baanbrekend was. Een bijzonder mooi voorbeeld hiervan is Virginia Woolf. Hij las haar werk met grote bewondering en tegelijk betreurde hij deze (te) late ontdekking. In zijn aantekeningen omschrijft hij haar als een echte revelatie en betreurt dat hij haar te laat heeft leren kennen. Hij beschrijft hoe zij anders keek naar het uitwendige en meer aandacht schonk aan de inwendige gedachtengang. Het is zeer interessant om dergelijke inzichten te lezen in dit werk van Ludo Simons. Zelf heb ik met veel plezier Mrs Dalloway, To the Lighouse en A room of one's own gelezen.
Het maakt Het derde leven van Stijn Streuvels zoveel meer dan een gelegenheidstekst voor een museumheropening. Ludo Simons pretendeert niet de ultieme interpretatie van Streuvels te geven. Hij verduidelijkt waarom Streuvels in het literaire debat soms naar de achtergrond verdween, maar ook waarom hij het verdient opnieuw naar voren te komen. Hij vraagt vooral dat we het werk opnieuw ter hand nemen, voorbij de clichés en etiketten kijken.
Wie Streuvels vandaag wil begrijpen, moet hem opnieuw lezen, voorbij de clichés en etiketten, zonder vooroordelen en het gemak van tweedehandsoordelen. Alleen zo kan zijn derde leven echt gestalte krijgen — in de directe ontmoeting tussen tekst en lezer. Zoals de jury van de Prijs der Nederlandse Letteren het in 1962 formuleerde: “De magie doet haar werk: de lezer is gevangen in de tovercirkel van Streuvels’ toverwereld. … Ongenadig handhaaft hij zijn zienswijze zonder toe te geven… Het resultaat is een indrukwekkende oeuvre.” (prijsderletteren.org)









Opmerkingen