top of page

De oogst (1901) Stijn Streuvels

Hoe kom je erbij om zo een oud boekje te lezen? Awel omdat lezen over uw eigen streek, uw eigen grond belangrijk is. Wanneer ik Streuvels lees en dan hier langs de wegen wandel en fiets waar hij dat ook gedaan heeft, kijk je met andere ogen. Alsof het land meer diepte heeft gekregen. Al die verhalen van gewone mensen die hier, net als ik nu, op zoek waren naar geluk en voorspoed voor zichzelf en de mensen rondom hen. De dagelijkse strijd die moest gevoerd worden om te overleven, maar ook de liefde voor de schoonheid van het eigen land zijn zaken die Streuvels zo raak wist te beschrijven.


Voordat ik meer vertel over het verhaal "De oogst" speel ik even de geschiedenisleerkracht en geef ik wat context.


Tis kermis!

Het is nu eind augustus - begin september 2024 en overal in Vlaanderen is het kermis in het dorp. De mensen komen samen om te drinken, te praten, te lachen en te feesten. Al eeuwenlang is dit de periode om het binnenhalen van de oogst te vieren.

Na maanden van hard werken op het land, werd het binnenhalen van de oogst beschouwd als een belangrijke mijlpaal. Het was een moment van opluchting, dankbaarheid en vreugde, omdat een goede oogst betekende dat er voldoende voedsel zou zijn voor de winter. De hele gemeenschap kwam samen om god en de beschermheiligen te danken en om de vruchten van hun harde werk te vieren. Het was ook het moment dat de seizoenswerkers terugkwamen "van den oogst".


Arm Vlaanderen

Vele landarbeiders trokken vooral in de tweede helft van de 19e eeuw tot het begin van de 20e eeuw naar Frankrijk om daar op het land de oogst binnen te halen. Dit fenomeen was het sterkst aanwezig vanaf ongeveer 1850 tot 1914. Het is de periode van "arm Vlaanderen". Landbouw was handwerk en elk jaar was terug een strijd tegen de natuur om soms letterlijk voldoende voedsel bijeen te schrapen.


Bietenoogst Emile Claus

De meeste boeren waren landarbeiders en hadden zelf geen of weinig grond. Heel vaak ging de oogst deels of helemaal verloren door ziektes bij de gewassen, slecht weer,... Een voorbeeld hiervan was de aardappelcrisis van 1845-1847.


Aardappelen rooien met hand en greep rond 1900 – bron onbekend
Vlaswieden in Vlaanderen (1887) Emile Claus

Naast deze dreigingen was er toen ook al de concurrentie van goedkopere producten uit het buitenland zoals graan uit Amerika. Het leven samen met de gemeenschap was de enige mogelijkheid om te overleven. Armoede, honger en ziektes waren gekende en gevreesde levensgezellen.

De landverhuizers - Eugène Laermans (1896)

De armoede in Vlaanderen, maar ook in vele andere delen van Europa werkte echter sterk ontwrichtend. Velen kozen voor definitieve migratie naar andere delen binnen Europa zoals de industriegebieden in Wallonië of maakten de de grote oversteek naar Amerika.


"Het was een statische dorpsstructuur waarbij personen uit de lagere klassen praktisch onmogelijk de sociale trap konden bestijgen. Tyfus, cholera en pokken kwamen veelvuldig voor in de eerste helft der l9de eeuw, vooral de lagere klassen werden hier het slachtoffer van. Het was de tijd van arm Vlaanderen.Vanaf 1845 werd de sociaal-economische toestand nijpend voor de landarbeiders. In 1845 mislukte de aardappeloogst. (...) De aardappelziekte woedde tot 1850. In 1842 mislukte de rogge. 1 kg roggebrood steeg van 14 centimes naar 50 centimes. Ook de tarwe bracht veel minder op (...) Het was een beroerde tijd. Bedelaars uit de stad trokken naar het platteland. Het bureel van weldadigheid (het armbestuur) moest een groot aantal gezinnen financieel en materieel bijstaan. Emigratie naar een land waar meer eten was, waar meer mogelijkheden waren, waar een sociale promotie mogelijk was, was voor velen een oplossing. (...) Het vrije Amerika was aantrekkelijker vooral vanaf 1849. Toen men hoorde vertellen over het goud van Californië."


Uit: Henri VANNOPPEN, Amerika, het beloofde land voor Brabant



Naast definitieve migratie was er veel seizoensarbeid. Velen uit Vlaanderen trokken, vaak te voet, naar Frankrijk om daar de oogst te gaan binnenhalen. Vaak waren ze weken/maanden weg zonder veel communicatie met het thuisfront. De leef- en werkomstandigheden onzeker. Het harde werk om te overleven blijft een diepe indruk maken. Het is belangrijk om die verhalen te blijven lezen en verder vertellen.

Tussen 1930 en 1960 trokken heel wat grensarbeiders uit de Kortrijkse regio dagelijks de grens over om in Noord-Frankrijk in de textielindustrie te gaan werken. Ze vertrokken bij het krieken van de dag, eerst te voet, dan met de fiets en nog later met de speciale bussen en treinen voor grensarbeiders. Ter ere van die grens- en seizoenarbeiders werd in 1974 langs de autosnelweg E3 (de huidige E17) in Aalbeke De Sjouwer ingehuldigd. Het indrukwekkende monument in beton werd ontworpen door de Brusselse architect en beeldhouwer Jacques Moeschal, en werd bovenop de kunstmatige heuvel gebouwd die ontstond bij het uitgraven van de E3. De Sjouwer is 35 meter hoog en heeft vier punten die staan voor de vier windrichtingen. De grootste punt wijst symbolisch richting Frankrijk.

Zo kom ik bij de novelle van Streuvels "De oogst".


Het verhaal

We maken kennis met Rik en Wies. Twee jonge mannen, nu zouden we ze nog jongens noemen, die samen opgroeien in een klein gehucht ergens langs de Schelde. Hieronder krijg je een voorbeeld hoe Streuvels in een paar zinnen meesterlijk een tafereel kan schetsen en een sfeer kan oproepen.


"Rik lag plat uitgestrekt in 't gras onder de linde en Wies zat, over de knieën gebogen, op het bol van een gevelden eik. De jongens rookten hun pijp in den avondstond. Nu en dan maar zegden zij, halfstil, een woord, meest over dingen die ze wisten en even goed ongezegd konden laten. Maar zij trokken gestadig nieuwe kuilen blauwen rook uit hunne pijp die opspiraalden uitdunnend hoog in de lucht boven hun hoofd. Achter de openstaande huisdeur in 't donker, wrocht Lida met moeder aan 't schoonkuischen van schotelgerief en ze koutten stil onder elkaar."


Rik is verliefd op Lida, de zus van Wies en zijn droom is om met haar te trouwen. Vooraleer hij dat echter kan, zal hij over eigen geld moeten beschikken en dat brengt hem tot het besluit om mee de oogst te gaan doen. Samen met een troep mannen vertrekt hij samen met Wies te voet naar de oogst in Frankrijk. De tocht valt de nog jonge Rik zwaar en verteerd door heimwee zondert hij zich regelmatig af van de groep. Het werk op het veld valt ook al niet mee. Streuvels beschrijft prachtig de eindeloze Franse velden met graan zover als je kan kijken en boven dat veld de moordende augustuszon.


"Vlammende wit zat 't geluchte en daar tusschen de biggelende halmsprietels kwam eene halve zon glinsteren met een haarkrans van gedegen goud bezet. En ze groeide groot bij der ooge, ze nam den ijlen hemel in en stak hem vol scherpe schichten. De zon was de bijtend ronde gloeibol niet meer in een zeker punt van den hemel, maar heel de groote luchtkoepel stond in laaie vlam, al hemel en vuur! 't regende geen hitte, 't waren net geteekende lekvlammen die woelden hooge en kwamen spelen tusschen 't koorn, om en nevens hem en over heel het afgeschoren land."


Streuvels beschrijft heel treffend hoe de mannen het graan neermaaien. Het monotone van het werk doet hen in een roes overgaan en het lijkt wel alsof het machines zijn. Menselijke automaten die enkel stoppen om te eten. De jonge Rik is echter niet sterk genoeg en het werk te zwaar en hij bezwijkt. Hij was gekomen om man te worden en rijk naar huis te gaan om daar met Lida te trouwen. Zijn droom eindigt ergens op een eindeloos veld onder de verzengende hitte van de Franse zomerzon.


Wies ziet zijn goede vriend voor zijn ogen sterven en staat vlug alleen met zijn wanhoop en verdriet. De rest van de oogstmannen lijken minder geraakt door het verlies. Rik wordt al vlug in een kist gelegd en daar ergens in een parochie begraven. Hij is de enige die aanwezig is op de begrafenis van Rik. Voor de rest gaat het leven verder.


Wies wordt nu de centrale figuur. Hij gaat, zoals Rik vóór hem, alleen lopen mijmeren en dromen. Hij ontmoet een daar op een hooizolder achtergebleven pikker, Sjob Subbel, en diens dochter Aga. Wanneer het werk is voltooid, betaalt de boer betaalt hun uit, waarop een laatste bezoek aan het dorp volgt. Wies verlangt ook naar huis, al kan hij moeilijk afscheid nemen van de zachtzinnige Aga.


Tijdens zijn laatste nacht op de slaapzolder droomt Wies(of gebeurt dat echt?) dat hij bezoek krijgt van Aga, die hem waarschuwt voor dieven. De seizoenarbeiders worden inderdaad overvallen; ze delven het onderspit en worden beroofd, tijdens een groteske gevechtsscène waarin zij in het donker zelfs op elkaar losslaan. Wies neemt afscheid van het zonderlinge meisje. Hij geeft haar een geldstuk en loopt weg. Hem wacht de taak thuis de dood van Rik te melden aan moeder Busschaert en aan Lida. Krauwel stelt voor met de pet rond te gaan ten behoeve van de bestolen makkers. Zo solidair zijn de pikkers wel, dat ze iets aan anderen van hun ‘soort’ af willen staan. Ze verlaten de boerderij ‘in groep’, terwijl Wies hoopt op een weerzien met Aga ‘toekomend jaar’.


Onderweg doen de pikkers nog inkopen voor thuis. Ze komen in de late zomer na een aantal dagreizen afgemat in het dorp aan, waar ze luidkeels zingend van herberg naar herberg trekken. Wies vertelt het nieuws aan Lida, die ontzet reageert. Hij heeft de moed niet om Riks dood ook aan diens moeder mee te delen en vlucht huilend uit het huis weg de velden in. Terwijl hij wegvlucht, hoort hij de gezangen van het feest in het dorp.


Daarmee komt het verhaal van de oogst ten eind. Een prachtig geschreven verhaal waarin Streuvels de lezer meeneemt naar het harde boerenleven waarin de natuur met haar schoonheid en meedogenloosheid het ritme van het leven bepaalde.

Streuvels leunend op zijn schup met zijn Lijsternest op de achtergrond.

 
 
 

Opmerkingen


bottom of page