top of page

Op een andere planeet kunnen ze me redden (2025) Lieke Marsman

  • 18 uur geleden
  • 5 minuten om te lezen

Deze week werd het nieuws bekend gemaakt dat Lieke Marsman op 35-jarige leeftijd is overleden. In 2018 kreeg ze de diagnose van een zeldzame en ongeneeslijke vorm van kraakbeenkanker. Op je 28e te horen krijgen dat het leven eindig is en dat dat einde nabij is. Hoe ga je daarmee om. Lieke Marsman schrijft en maakt van haar ziekte een belangrijk thema. In haar werk beschrijft ze zonder taboes de fysieke en emotionele gevolgen van kanker, maar reflecteert ze ook op filosofische vragen over leven, dood, geloof en wetenschap. Daarnaast verbindt ze haar persoonlijke ervaringen met bredere maatschappelijke thema’s, zoals de gezondheidszorg en de macht van de farmaceutische industrie.


De centrale gedachte is dat een levensbedreigende ziekte haar bestaande wereldbeeld ontoereikend maakt. Dat woord ontoereikend ontleent ze aan de Amerikaanse dichter Christian Wiman. Wiman eveneens geconfronteerd met een zware diagnose zocht en vond binnen zijn rationele wereld geen antwoorden voor zijn gevoelens die op scherp waren gezet. Waar zij zichzelf eerder als rationeel en weinig religieus zag, ontdekt ze dat rationaliteit alleen niet voldoende is om met dood, lijden en onzekerheid om te gaan.

Marsman beschrijft haar religieuze ontwikkeling niet als een plotselinge bekering, maar als een langzaam proces waarin ze betekenis tracht te geven aan haar situatie. Ze vergelijkt haar ervaring met beschrijvingen van religieuze bekering door psycholoog William James, die spreekt over een duurzame verandering van levenshouding. Geloven is in haar context je niet overgeven aan dogma's of allerhande voorschriften. Geloven voor haar is een manier om te leven met onzekerheid.


Naast filosofische bespiegelingen lees je ook haar realiteit die bestaat uit medische behandelingen, verkeerde en moeilijke diagnoses en de chaos van het ziekenhuis. Ze beschrijft hoe artsen elkaar soms tegenspreken en hoe ze voortdurend moet omgaan met hoop en teleurstelling. De ziekte maakt haar wereld fundamenteel anders dan die van gezonde mensen. Tegen een vriendin zegt ze dat ze zich op een andere planeet voelt:


"Het is alsof ik op een andere planeet ben. Het lukt me niet meer me te verhouden tot de mensen hier, hun zorgen, hun successen, hun irritaties, hun geluk. Ik ben te ver weg." (pg. 35)


Deze metafoor gaat verder dan vervreemding alleen. Ze suggereert dat ziekte een totaal andere werkelijkheid creëert, met eigen wetten en ervaringen. De patiënt leeft niet langer in dezelfde wereld als de gezonde mens. Tegelijk toont Marsman hoe extreme omstandigheden het rationele denken onder druk zetten. Ze omschrijft haar vroegere wereldbeeld als een “poreus en arrogant bouwsel” (pg.31) dat geen stand houdt onder de “hogedrukspuit van een naderende dood” (pg.31). Niemand weet hoe hij of zij zal reageren wanneer men geconfronteerd wordt met levensbedreigend nieuws.


Omdat haar vertrouwde wereldbeeld tekortschiet, stelt Marsman zich open voor verschijnselen die zij vroeger waarschijnlijk als onzin had beschouwd. Ze verdiept zich onder meer in religieuze ervaringen, bijna-doodervaringen en ufo’s. Dat proces beschrijft ze zelf als een mentale verschuiving, waarbij ze zich afvraagt welke ideeën die ze vroeger afdeed als “flauwekul” misschien toch een tweede kans verdienen (p. 157). Deze openheid wijst niet op een afwijzing van rationaliteit, maar op een groeiend besef dat haar eerdere overtuigingen te beperkt waren.


En zo vloog er in het kielzog van de ufo's een heel scala aan andere paranormale zaken mijn leven in. Sinds ik geloof dat we door buitenaardse objecten bezocht worden, ligt de wereld voor me open. Welke andere dingen die ik altijd afgedaan heb als flauwekul, voortbrengsels van wankele of leugenachtige geesten, verdienen ook een tweede kans? Opeens ben ik ook bereid te luisteren naar mensen die uittredingservaringen hebben gehad, of een bijna., doodervaring. Die het idee hebben dat overleden geliefde soms contact met ze maken. (pg.157)


Hoewel Marsman veel vertrouwen blijft hebben in de wetenschap en de medische zorg, toont ze aan dat wetenschap niet alle existentiële vragen kan beantwoorden. De confrontatie met haar ongeneeslijke ziekte dwingt haar na te denken over bewustzijn, geloof, spiritualiteit en de betekenis van het leven. Ze verwerpt de wetenschap dus niet, maar bekritiseert een strikt rationalistisch wereldbeeld dat alleen aanvaardt wat empirisch bewezen kan worden.


Om die kritiek kracht bij te zetten, verwijst ze naar wetenschappers en filosofen zoals William James, een Amerikaanse psycholoog en filosoof die bekendstaat om zijn onderzoek naar religieuze ervaringen, Erwin Schrödinger, een Oostenrijkse natuurkundige en grondlegger van de kwantummechanica, en Wolfgang Pauli, een invloedrijke theoretisch fysicus die nadacht over de filosofische implicaties van de natuurkunde.

Zo stelt James dat mensen slechts een beperkt deel van hun potentieel bewustzijn benutten (pg. 38-39), wat suggereert dat er meer dimensies van ervaring bestaan dan het louter rationele. Schrödinger gaat nog verder en merkt op dat wetenschap weliswaar feiten kan ordenen, maar “angstwekkend stil blijft over alles wat er echt toe doet”, zoals schoonheid, goed en kwaad of het bestaan van God (pg. 161-162). Ook Pauli benadrukt de beperkingen van objectieve kennis en waarschuwt voor een al te dogmatisch geloof in wetenschappelijke verklaringen. (pg. 164)


Marsman gebruikt deze inzichten om te tonen dat zelfs toonaangevende wetenschappers zich bewust waren van de grenzen van menselijke kennis. Voor haar ligt precies daar de essentie van wetenschap: niet in het claimen van absolute zekerheden, maar in het erkennen van wat we nog niet begrijpen. Onzekerheid wordt zo geen tekort, maar een noodzakelijke voorwaarde voor een open en betekenisvolle omgang met de werkelijkheid. Die gedachte komt scherp tot uiting wanneer ze schrijft:

 

Hoewel men steeds beter begrijpt hoe allerlei hersenprocessen werken, is nog altijd niet ontdekt hoe die processen ons de wereld vervolgens bewust laten meemaken. Er zit een nog niet overbrugd gat tussen enerzijds het afvuren van allerlei neuronen in het brein en anderzijds het proeven dat een koekje zoet is - en dat niet alleen: je bent je ervan bewust dat je proeft dat het koekje zoet is. Het hoe en waarom van bewustzijn wordt ook wel het grootste onopgeloste wetenschappelijke vraagstuk van onze tijd genoemd. (pg.162)


Haar werk laat daarmee zien dat wetenschap en verwondering elkaar niet uitsluiten, maar elkaar kunnen aanvullen in de zoektocht naar betekenis.


Ik heb dit boek met veel interesse gelezen. Het kan steun bieden aan mensen die zelf grote tegenslagen kennen of hebben gekend. Het kan mensen ook helpen om te begrijpen wat het betekent om zo een zware last te moeten torsen. Lieke Marsman zet je aan het denken en daagt je uit om je blik te verruimen en verder te kijken. Wat dit boek zeker niet is, is een jammerklacht van een jonge vrouw. Het laatste wat ze wil is medelijden. Dit verwoordt ze hier krachtig.


"Maar het allerergst vind ik de mensen die zeggen: jouw situatie plaatst mijn eigen problemen wel in perspectief, zeg. Pardon? Nee, nee, nee, ik hen hier dus niet kapot aan het gaan om jouw saaie rotleven per contrast wat meer glans te geven." (pg. 99)








 
 
 

Opmerkingen


bottom of page