Het huis van de moskee (2005) Kader Abdolah
- 17 uur geleden
- 3 minuten om te lezen

Het huis van de moskee van Kader Abdolah is een epische familiegeschiedenis die zich uitstrekt over twintig turbulente jaren in Iran. Tegen de achtergrond van ingrijpende politieke omwentelingen vertelt de roman hoe één huis en één familie het hart vormt van een gemeenschap die langzaam maar onvermijdelijk verandert. Tussen 1969 en 1989 schuiven traditie en moderniteit, geloof en ideologie, loyaliteit en verraad steeds pijnlijker over elkaar heen. In dit verhaal zijn het persoonlijke en het politieke onlosmakelijk met elkaar verbonden.
In het dorp Senedjan staat het huis van de moskee letterlijk en figuurlijk in het midden van het leven. Aga Djan, tapijthandelaar en patriarch, waakt er over zijn familie, zijn voorouders en de religieuze gebruiken die al generaties lang worden doorgegeven. De imam Alsaberi en diens gezin maken deel uit van dezelfde hechte kring. Rituelen, gebeden en oude verhalen bepalen het ritme van de dagen. Abdolah opent de roman in een bijna sprookjesachtige sfeer, waarin wonderlijke gebeurtenissen – zoals de optocht van mieren naar de moskee – als voortekenen worden gelezen en door gebed bezworen. Die milde, warme toon onderstreept hoe sterk traditie en bijgeloof het wereldbeeld van de dorpsbewoners kleuren.
Toch dringen de eerste barsten zich al snel op. De komst van de televisie en de maanlanding van 1969 confronteren het dorp met een werkelijkheid die groter is dan de religieuze verbeelding. Onder het bewind van Sjah Mohammad Reza Pahlavi moderniseert Iran in hoog tempo, sterk geïnspireerd door westerse modellen. Westerse films, Amerikaanse mode en een groeiende emancipatie van vrouwen – mede gestimuleerd door Farah Diba, de vrouw van de Sjah – sijpelen zelfs door tot in het conservatieve Senedjan.
Maar Abdolah idealiseert deze modernisering nergens. Ze voelt vaak oppervlakkig en vervreemdend aan. De televisie en de bioscoop brengen niet alleen kennis, maar ook onrust. Westerse cultuur wordt niet organisch geïntegreerd in de traditie, maar botst ermee. Dat veroorzaakt identiteitsverlies en spanningen binnen gezinnen en dorpsgemeenschappen. Abdolah suggereert dat deze abrupte, van bovenaf opgelegde modernisering mee de voedingsbodem heeft gecreëerd voor religieus radicalisme. Het Westen is in de roman niet rechtstreeks schuldig aan de revolutie, maar de invloed werkt ontwrichtend wanneer ze geen rekening houdt met culturele en religieuze wortels.
De spanningen nemen verder toe met de opkomst van Galgal. Een jonge, vurige imam die zich fel keert tegen westerse invloeden en het regime van de sjah. Wanneer later Ruhollah Khomeini terugkeert uit ballingschap, kantelt het land definitief. Wat begint als een revolutie tegen onderdrukking, mondt uit in een streng islamitisch regime waarin macht en religie samenvallen. Galgal ontpopt zich tot een meedogenloze beul die zonder proces laat executeren. De linkse oppositie wordt onderdrukt, oude bondgenoten worden vijanden, angst en ideologische zuiverheid nemen de plaats in van gemeenschapszin.
Tegenover dit radicalisme plaatst Abdolah de milde islam van Aga Djan en zijn familie. In het huis van de moskee is religie geen politiek wapen, maar een manier van leven, verweven met verhalen, rituelen en onderlinge zorg. Aga Djan is gelovig, maar niet fanatiek; principieel, maar niet gewelddadig. Zijn huis staat symbool voor een humane, verdraagzame islam die ruimte laat voor twijfel en gesprek. Tragisch genoeg is het juist deze gematigde vorm van geloof die langzaam ten onder gaat. Eerst uitgehold door oppervlakkige westerse invloeden, daarna verdrongen door religieus fanatisme.
Een belangrijk element dat de roman extra diepte geeft, is het personage Shahbal. Hij sluit zich aan bij een linkse oppositiegroep, moet uiteindelijk vluchten en bouwt in Europa een nieuw leven op als schrijver die publiceert in een andere taal. Shahbal kan duidelijk worden gelezen als het alter ego van Abdolah zelf. Net als zijn schepper was Abdolah politiek actief in Iran, moest hij vluchten en kreeg hij asiel in Nederland. Ook hij begon te schrijven in een taal die niet zijn moedertaal was.
Abdolah waarschuwt voor de gevaren van extremisme zowel religieus als ideologisch. Wanneer religie politieke macht wordt, verliest ze haar menselijkheid. Wanneer modernisering geen rekening houdt met identiteit en traditie, leidt ze tot vervreemding. In beide gevallen wordt het midden, de gematigde stem, het eerst vermalen.
Tegelijk is de roman geen pessimistisch pamflet. In de aangrijpende scènes rond de dood van Aga Djans zoon en het verborgen graf in de tuin toont Abdolah dat menselijkheid en mededogen zelfs in donkere tijden mogelijk blijven. Het huis dat generaties lang het centrum van geloof en gemeenschap was, stort gedeeltelijk in — maar in de verhalen van Shahbal leeft het voort. Daarmee suggereert Abdolah dat wat door politiek geweld wordt vernietigd, door literatuur kan worden bewaard.



Opmerkingen