top of page

Tijd van de oligarchen: over technologie, vrijheid en vrede (1946) Aldous Huxley / inleiding (2026) Bas Heijne

  • 49 minuten geleden
  • 5 minuten om te lezen


Bas Heijne – inleiding bij De tijd van de oligarchen


Bas Heijne begint zijn inleiding met Aldous Huxley én George Orwell. Waar Orwell in 1984 (1948) een toekomst beschrijft waarin mensen door geweld, angst en onderdrukking van hun vrijheid worden beroofd, verwacht Huxley dat machthebbers een subtielere methode zullen gebruiken. Mensen zullen hun vrijheid vrijwillig opgeven, omdat ze worden verleid met comfort, amusement en geluk. In Brave New World (1932) zijn mensen daarom niet zozeer bang voor de machthebbers als wel tevreden met hun onderwerping. Orwell richt zich vooral op totalitarisme, ideologie en geweld terwijl Huxley focust op conditionering, consumptie, technologie en de menselijke behoefte aan comfort. Brave New World is over het algemeen iets minder bekend dan 1984, maar minstens even interessant om te lezen.


Volgens Heijne werd Huxley na de Tweede Wereldoorlog steeds politieker. De complete verwoesting, de enorme menselijke tol, het moreel failliet werd nog verder versterkt met de uitvinding van de atoombom. Huxley zag hoe technologie en economische macht zich bij elites konden concentreren, waardoor burgers steeds machtelozer worden en manipulatie steeds verfijnder wordt. Wat Huxley ruim tachtig jaar geleden vreesde, is volgens hem vandaag niet verdwenen maar juist versneld. Technologie heeft de mens machtiger gemaakt, maar tegelijkertijd de machtsconcentratie en mogelijkheden tot beïnvloeding enorm vergroot. Dit maakt deze tekst zo actueel.


Aldous Huxley - De tijd van de oligarchen

Toen Aldous Huxley in 1946 Science, Liberty and Peace schreef, lag de Tweede Wereldoorlog nog vers in het geheugen. De atoombom had net laten zien waartoe wetenschap in staat was, Europa lag in puin en de wereld stond aan het begin van de Koude Oorlog. De vraag die Huxley zich stelt is: wat gebeurt er met vrijheid wanneer wetenschap en technologie steeds krachtiger worden?


Wat hij duidelijk meegeeft, is dat hij wetenschap op zich niet veroordeelt. Hij waarschuwt wel duidelijk dat technologie nooit neutraal is. Zij vergroot de mogelijkheden van degene die haar bezit. Deze gedachte vond Huxley bij Tolstoj: wanneer een samenleving slecht is ingericht en de macht bij een kleine groep ligt, zal iedere overwinning op de natuur — iedere wetenschappelijke of technologische vooruitgang — die machtsconcentratie versterken. Huxley ziet dat mechanisme ook in zijn eigen tijd aan het werk. Technologie versterkt bestaande machtsstructuren. Zij bepaalt niet wie de macht heeft, maar maakt degenen die al machtig zijn nog machtiger. Wie de macht heeft, nu of vroeger, heeft steeds de ambitie om de bevolking te controleren. In het (verre) verleden beschikte men niet over de logistieke mogelijkheden. Moderne technologie veranderde dat radicaal. Tanks, vliegtuigen, snelle communicatiemiddelen en efficiënte politiediensten maakten volgens hem een vorm van staatsmacht mogelijk die vroeger ondenkbaar was. Zoals hij scherp opmerkt was persoonlijke vrijheid vroeger voor een belangrijk deel afhankelijk van de ondoelmatigheid van de overheid.


Anno 2026 klinkt die observatie verrassend actueel. Vandaag beschikken staten over satellieten, digitale databanken, cameranetwerken, gezichtsherkenning en kunstmatige intelligentie. Niet iedere overheid gebruikt die middelen op dezelfde manier, maar de technische mogelijkheid tot verregaande controle is zonder twijfel veel groter dan Huxley zich in 1946 concreet kon voorstellen.


Huxley zag toen reeds in dat de klassieke gewapende revolutie haar betekenis grotendeels verloren had. Een bevolking met geweren kan volgens hem onmogelijk op tegen een staat met tanks, vliegtuigen en moderne communicatiemiddelen. Daarom zoekt hij naar een andere vorm van verzet. Hij verwijst naar Gandhi en diens Satyagraha (filosofie van geweldloos verzet en burgerlijke ongehoorzaamheid), maar ook naar Thoreaus burgerlijke ongehoorzaamheid. Gewapend verzet is tegenover een technisch veel sterkere staat weinig zinvol. Geweldloos verzet en vooral weigeren mee te werken kunnen volgens Huxley wel een effectief middel zijn om macht te ondermijnen. Denk bijvoorbeeld aan de Amerikaanse burgerrechtenbeweging.


Huxley besteedt veel aandacht aan propaganda die via nieuwe media zoals de radio en de massapers in de vorm van kranten een steeds groter bereik kreeg. Via de massamedia wordt het niet alleen mogelijk om mensen te informeren, maar ook systematisch te beïnvloeden van de manier waarop mensen denken, voelen en handelen door informatie te selecteren en te presenteren. Huxley vraagt zich vooral af wie de media betaalt. Kranten kunnen volgens hem alleen goedkoop bestaan dankzij adverteerders, politieke organisaties of de overheid. Wie de financiering verzorgt, bepaalt uiteindelijk ook de richting van de berichtgeving. In democratieën gebeurt dat via commerciële belangen, in dictaturen via de staat. In beide gevallen ontstaat een concentratie van invloed. Juist dit deel van zijn analyse lijkt bijna geschreven voor de digitale samenleving. Waar Huxley sprak over radio en kranten, denken wij vandaag spontaan aan sociale media, zoekmachines en AI-systemen. De technologie is veranderd, maar de onderliggende logica nauwelijks. Ook nu wordt een groot deel van onze informatievoorziening gefinancierd door advertenties of beheerd door een klein aantal grote bedrijven. Het duidt dus nog maar eens op het belang van een goed werkende openbare omroep.


Huxley merkt daarnaast op dat mensen propaganda zelden opzoeken omdat zij propaganda willen lezen. Ze willen amusement: sensationele verhalen, strips, ontspanning. De propaganda wordt als het ware meegeleverd met het entertainment. Hij vergelijkt het lezen van sensatiekranten zelfs met een verslaving. Net zoals iemand verslaafd kan raken aan alcohol of tabak, kan men volgens hem ook verslaafd raken aan media. Dat idee is in 2026 misschien actueler dan ooit. Initieel was sociale media bedoeld om contact te leggen met vrienden en om bijvoorbeeld foto's of filmpjes te bekijken. Toch worden zij ondertussen voortdurend gebruikt voor advertenties, aanbevelingen en politieke boodschappen. Huxley beschreef dit mechanisme al in 1946, lang voordat het internet bestond.


Huxley verwacht niet dat wetgeving alleen het probleem zal oplossen, maar hij zoekt de oplossing bij de burger zelf. Wie zich wil beschermen tegen propaganda, zal ook zijn eigen mediagebruik moeten beheersen. Een verrassend modern inzicht en zeer relevant in een tijd waarin steeds vaker wordt gesproken over schermverslaving en digitale afhankelijkheid.


Wanneer we Huxleys voorspellingen naast de werkelijkheid van 2026 leggen, blijkt dat veel van zijn fundamentele analyses opmerkelijk goed stand hebben gehouden. Hij voorspelde niet het internet, kunstmatige intelligentie of sociale media. Toch zag hij reeds in dat technologische vooruitgang de neiging in zich had om macht te concentreren, om de controlemechanismen van moderne staten steeds efficiënter te maken, om propaganda subtieler en krachtiger te maken. Daartegenover zag hij ook in dat mensen hun vrijheid soms vrijwillig zouden inruilen voor veiligheid, comfort en gemak.


Waar hij minder overtuigend bleek, is in zijn economische oplossing. Huxley geloofde sterk dat decentralisatie van productie en kleinschalige lokale economieën de beste bescherming tegen machtsconcentratie zouden vormen. De geschiedenis heeft echter laten zien dat grootschalige productie ook enorme welvaart, innovatie en medische vooruitgang heeft gebracht. De uitdaging van vandaag lijkt daarom niet zozeer te liggen in een keuze tussen centralisatie of decentralisatie, maar in het vinden van een evenwicht waarin technologische vooruitgang wordt gecombineerd met democratische controle, concurrentie, transparantie en bescherming van individuele vrijheden.


Huxley waarschuwt dus niet voor wetenschap, maar zegt wel dat vooruitgang op zichzelf geen garantie biedt voor een betere samenleving. Zonder sterke instituties, morele verantwoordelijkheid en actieve burgers kan dezelfde wetenschap die de mens bevrijdt, hem ook steeds afhankelijker maken.







 
 
 

Opmerkingen


bottom of page