top of page

For Whom the Bell Tolls - Voor wie de klok luidt (1940) Ernest Hemingway

  • 1 dag geleden
  • 7 minuten om te lezen

De titel For Whom the Bell Tolls spreekt al jarenlang tot mijn verbeelding. De klok luidt, maar voor wie? Mijn lagere school lag dichtbij de kerk en ik zie het beeld voor mij dat onze leerkracht van het zesde leerjaar, meester Willy, soms aandachtig naar de klokken luisterde. Aan het ritme van de klok wist hij wanneer het om een overlijdensklok ging. Een kort geluid en dan de stilte. Telkens opnieuw. Krachtig in alle eenvoud, een sterk symbool. Het maakte toen op mij een sterke indruk. Later op mijn literaire zoektocht om steeds meer te ontdekken, kon ik dit boek niet passeren. Ik kocht het al jaren geleden in boekhandel Corman in Oostende. Om een of andere reden lukte het me niet om er volledig in te duiken. Tot nu.


Ernest Hemingway ontleende de titel aan dit beroemde gedicht van John Donne (1572 – 1631):






Geen mens is een eiland,

in zichzelf besloten;

elk mens is een stukje continent,

deel van het vasteland.

Als een kluit aarde wegspoelt in zee, krimpt Europa,

of als een klip wegspoelt,

of het huis van je naaste of dat van jou.

Elk sterfgeval neemt iets van mij weg,

omdat ik deel uitmaak van de mensheid;

vraag daarom nooit

voor wie de klok luidt;

zij luidt voor jou.



Een van de redenen wat lezen zo interessant maakt, is dat een tekst je plots kan doen stilstaan. Een gedicht als dit roept herinneringen op, schept nieuwe beelden en zet aan tot denken. De klok luidt niet alleen voor degene die sterft, maar voor iedereen die ze hoort. Geen mens is een eiland.


Het verhaal speelt zich af tijdens de Spaanse Burgeroorlog (1936-1939). Spanje was begin jaren 1930 een republiek geworden en werd sindsdien beheerst door spanning en chaos. De samenleving was een strijdtoneel tussen enerzijds zeer traditionele opvattingen van monarchisten en militairen die terug naar het oude regime willen en anderzijds links-revolutionaire krachten die met het verleden, specifiek de adel en de katholieke kerk, wilden afrekenen. De spanning leidde tot een verschrikkelijke burgeroorlog. Veel linksgeoriënteerde intellectuelen trokken toen naar Spanje om tegen het fascisme te strijden. Ook Ernest Hemingway zelf verbleef er als oorlogscorrespondent. Daardoor werd deze burgeroorlog tegelijk een botsing tussen de grote ideologieën van de twintigste eeuw, een voorbode van de wereldbrand die enkele jaren later zou volgen.


Hemingway neemt ons mee in het spoor van Robert Jordan. Een Amerikaanse docent Spaans die uit idealisme de oversteek heeft gemaakt naar Spanje om daar mee te strijden tegen de nationalisten. Hij heeft de opdracht gekregen een belangrijke brug tot ontploffing te brengen en sluit zich bij een groep aan die hem zal helpen dit doel te verwezenlijken. Het boek opent als volgt:


"Hij lag plat op de bruine grond vol dennennaalden in het bos met zijn kin op zijn armen; hoog boven hem blies de wind door de toppen van de dennen. Op de plaats waar hij lag, helde de berg flauw, maar verder naar beneden werd het steil en daar zag hij de donkere weg over de pas slingeren. Er liep een stroompje langs de weg en een eind beneden de pas zag hij een houtzagermolen naast de stroom en het vallende water bij de dam, wit van kleur in het zomerse zonlicht." (pg. 15)


Het contrast tussen de schoonheid van het landschap en de hardheid van de oorlog valt hier heel sterk op en is een element waar Hemingway gedurende de volledige roman blijft gebruik van maken. De groep waarbij Robert Jordan terechtkomt is zeer divers: mannen en vrouwen, idealisten en opportunisten. Het stelt Hemingway in staat om een verhaal te brengen dat dit niet over militaire strategie gaat, maar wel over de vraag wat oorlog met een mens doet. Wat betekent het om daadwerkelijk tegenover een andere mens te staan en te moeten beslissen of je die zult doden. Hoe leef je met zo'n beslissing? Hoe rechtvaardig je die tegenover jezelf? Kan een ideaal voldoende zijn om geweld te legitimeren? Dat zijn vragen waarop het boek geen eenvoudige antwoorden geeft, maar die voortdurend aanwezig blijven.


Een van de indrukwekkendste passages vind ik de beschrijving in hoofdstuk 10 van de opstand in een dorp in het begin van het conflict waarbij gewone mensen de wapens in de hand nemen en overgaan tot gruweldaden. Hemingway veroordeelt niet eenvoudigweg één partij, maar toont hoe oorlog mensen kan meesleuren in geweld en wraak. Zoals hier de beschrijving van de gewelddadige dood van Don Federico Gonzales door zijn dorpsgenoten.


"Het was Don Federico González, de eigenaar van de molen en de levensmiddelenwinkel, en een nationalist van de eerste orde. Hij was lang en mager en zijn haar was van de ene kant van zijn hoofd naar de andere geborsteld om een kale plek te bedekken. Hij droeg een nachthemd dat in zijn broek gestoken was. Hij was blootvoets, net als toen hij uit zijn huis was gehaald, en met zijn handen boven zijn hoofd liep hij voor Pablo uit, die de loop van een geweer in de rug van Don Federico González drukte, tot hij tussen de twee rijen stond. Maar toen Pablo hem liet staan en naar de deur van de Ayuntamiento terugkeerde, kon Don Federico niet verder en bleef daar staan, met zijn ogen ten hemel geslagen en zijn handen in de lucht, alsof hij de lucht wilde grijpen. "Hij heeft geen benen om te lopen", zei iemand. "Wat is er, Don Federico? Kun je niet lopen?" schreeuwde iemand hem toe. Maar Don Federico bleef staan en alleen zijn lippen bewogen. "Schiet op", riep Pablo, hem vanaf de stoep toe. "Doorlopen." Don Federico stond daar en kon zich niet bewegen. Een van de dronkaards porde hem met de steel van een dorsvlegel in zijn rug. Don Federico maakte een sprong als een schichtig paard, maar bleef op dezelfde plek staan, met opgeheven handen en zijn ogen hemelwaarts. Toen zei de boer naast me: "Dit is schandalig. Ik heb niets tegen hem, maar aan deze vertoning moet een eind komen." Daarom liep hij langs de rij en wrong zich naar voren tot hij bij Don Federico stond en zei: "Met uw permissie." En hij gaf hem met een knuppel een harde klap tegen zijn hoofd. Toen liet Don Federico zijn handen zakken, legde ze boven op zijn hoofd waar de kale plek zat en met zijn hoofd gebogen en bedekt door zijn handen, waarbij de dunne lange haren die de kale plek bedekten tussen zijn vingers tevoorschijn kwamen, liep hij toen snel tussen de dubbele rij door, terwijl de dorsvlegels hem op hoofd en schouders raakten, tot hij viel en de mensen aan het eind van de rijen hem optilden en van de rots afgooiden. Hij had zijn mond niet één keer open gedaan nadat hij door het geweer van Pablo naar buiten was geduwd. Het enige was dat hij niet van zijn plaats kon komen. Het was alsof hij de macht over zijn benen had verloren. Na don Federico zag ik dat er zich een groepje van de hardste mannen aan het einde van de rij bij de rand van de rots had gevormd, en ik ging daar weg en liep naar de zuilengang van de ayuntamiento, duwde twee dronkaards opzij en keek naar binnen door het raam. In de grote zaal van de ayuntamiento lagen ze allemaal geknield in een halve cirkel te bidden, en de priester knielde en bad eveneens. Pablo en iemand die Cuatro Dedos, vier vingers, heette, een schoenlapper die veel met Pablo optrok, en twee anderen stonden er met geweren bij, en Pablo zei tegen de priester: "Wie is de volgende?" De priester antwoordde niet en ging door met bidden." (pg. 143-145)


Hemingway wordt niet moraliserend. Hij beschrijft hoe het loopt. In oorlog vervaagt vaak de grens tussen dader en slachtoffer. Wie vandaag slachtoffer is, kan morgen dader worden, en omgekeerd. Oorlog vernietigt niet alleen levens, maar ook morele zekerheden.


Deze gedachte krijgt nog een diepere dimensie in hoofdstuk 30. Terwijl Robert Jordan zich voorbereidt op zijn opdracht en de brug zal moeten opblazen, dwalen zijn gedachten af naar zijn familiegeschiedenis. Hij denkt aan zijn grootvader, die vier jaar vocht in de Amerikaanse Burgeroorlog (1861-1865) en voor hem het voorbeeld van moed en plichtsbesef belichaamt. Hij verlangt ernaar met hem te spreken niet zozeer als kleinkind, maar als gelijke.


"Ik wou dat grootvader hier in mijn plaats was. Och, misschien zijn we morgenavond allemaal bij elkaar. Als er iets belachelijks als een hiernamaals mocht bestaan, maar ik weet zeker dat dat niet zo is, dacht hij, zou ik zeker eens met hem willen praten. Want er zijn een hoop dingen die ik graag zou willen weten. Ik heb nu het recht om hem ernaar te vragen, want ik heb die dingen zelf ook moeten doen. Ik geloof ook niet dat gij er bezwaar tegen zou hebben, als ik hem ernaar vroeg. Eerder had ik daar geen recht toe. Ik begrijp dat hij het mij niet vertelde, want hij kende me niet, maar ik denk dat we nu heel goed met elkaar zouden kunnen opschieten. Wat zou ik nu graag eens met hem praten om zijn raad te vragen. Verdomd, zelfs al kreeg ik geen raad, ik zou toch graag eens met hem willen praten. Het is jammer dat er zo'n groot verschil in tijd bestaat tussen mensen zoals wij." (pg. 413)


Hij denkt ook aan zijn vader, die uiteindelijk zelfmoord pleegde met dezelfde revolver die ooit aan zijn grootvader had toebehoord.


"Ik zal nooit vergeten hoe ellendig ik me voelde toen ik voor het eerst doorhad dat hij een coward was. vooruit, zeg het maar in je eigen taal: lafaard. Het is makkelijker als je het maar eenmaal hebt gezegd, en waarom zou je een rotzak met een vreemd woord aanduiden? Maar hij was helemaal geen rotzak, hij was alleen een lafaard, en dat was het ergste wat een man kon overkomen. Want als ge geen lafaard was geweest, had ge zich tegen die vrouw verzet en haar niet de baas laten spelen. Ik zou wel eens willen weten hoe ik zou zijn geweest als ik met een ander was getrouwd." (pg. 414)


Robert Jordan vraagt zich voortdurend af welk mens hij zelf zal blijken te zijn. Op een bepaald moment zegt hij tegen zichzelf: "Morgen zullen we wel zien uit wat voor hout jij gesneden" (pg. 414) bent. Wie wordt het? De grootvader als symbool van moed en doorzettingsvermogen of de vader symbool van angst en lafheid. De echte beproeving is niet of hij zijn opdracht technisch tot een goed einde zal brengen, maar of hij de moed bezit om trouw te blijven aan zijn overtuigingen wanneer hij geconfronteerd wordt met angst, verantwoordelijkheid en de mogelijkheid van zijn eigen dood.


Robert Jordan vecht dus niet alleen tegen een uiterlijke vijand, maar ook tegen de angst om zelf tekort te schieten. Daardoor overstijgt de roman de Spaanse Burgeroorlog. Uiteindelijk gaat For Whom the Bell Tolls over een universele vraag: wat maakt een mens moedig, en hoe weten we of wijzelf die moed bezitten voordat het beslissende moment zich aandient?


Toen ik als kind de kerkklokken hoorde luiden, vroeg ik mij af voor wie zij luidden. Na het lezen van deze roman denk ik dat dit de verkeerde vraag is. De klok luidt niet voor één mens, maar voor ons allen. Zij herinnert ons eraan dat geen mens een eiland is en dat ieder verlies ook een verlies van onze gezamenlijke menselijkheid betekent.




 
 
 

Opmerkingen


bottom of page