De wonderen (2025) Jeroen Olyslaegers
- 18 minuten geleden
- 5 minuten om te lezen

De wonderen van Jeroen Olyslaegers is gelezen en staat ondertussen in de kast naast Wildevrouw. Zoals regelmatig gebeurt, laat ik mijn blik glijden over de ruggen met de auteursnamen en de titels en dan dringen personages, scènes en ook sferen mijn gedachten binnen. De personages worden metgezellen, verhalen worden herinneringen. Je ziet als het ware Amandine en Ambrose dwalen door dat imposante Antwerpse herenhuis dat grandeur en succes uitstraalt. Wie echter, zoals wij de lezers van dit boek, een inkijk krijgt in dit huis en zijn bewoners, ziet dat dit geen warm familiehuis is. Dit is een huis met grote, hoge ruimtes waarin de tocht onder de deuren giert, lange gangen waar geluiden blijven hangen en waar aanwezigheid nooit helemaal geruststellend is. Het verhaal begint alsvolgt.
Amandine en Ambrose zijn een tweeling die innig met elkaar verbonden zijn en toch elkaars tegenpolen vormen. De roman opent met een bijna idyllische beschrijving van hun samenzijn in moeders baarmoeder, waarna Amandine hun gescheiden levens samenvat. Ze worden geboren op 7 maart 1868, onder het teken Vissen, en volgens haar betekent dat dat zij voorbestemd zijn om vrijheid te zoeken. Wanneer zij dit in de lente van 1915 schrijft, zijn ze opnieuw samen. Amandine heeft de taak op haar genomen om haar uitgeputte broer tot aan zijn dood te verzorgen en bij te staan, terwijl de Grote Oorlog elke vorm van vrijheid lijkt te verstikken. Amandines schrijven is daarom een daad van verzet. Ze weigert vergeten te worden en vat hun levens samen als twee verschillende, maar verwante pogingen om vrijheid te bevechten binnen de beklemming van katholieke moraal, familiale prestige en hebzucht. Zo neemt ze de taak op haar om hun levensverhaal te vertellen waardoor het persoonlijke en het historische onlosmakelijk met elkaar verbonden raken.
De vader van Amandine en Ambrose straalt orde, macht en rijkdom uit. Hij beweegt zich zelfverzekerd in een wereld van financiële netwerken en politieke invloed. Hij belichaamt het vooruitgangsgeloof van de negentiende eeuw met een sterk geloof in economische groei, in expansie, in invloed. Zijn contacten reiken tot bij koning Leopold II, en via figuren als Henry Morton Stanley wordt duidelijk hoe nauw die vooruitgang verbonden is met mondiale en koloniale ambitie. Voor hem is rijkdom niet alleen een praktisch gegeven, maar ook een morele bevestiging. Wie succes heeft, heeft gelijk. Wie groeit, bewijst zijn waarde. Precies in die drang naar bevestiging sluimert onzekerheid. De orde is zo streng dat ze bijna verstikkend wordt. Wat als die orde enkel standhoudt zolang niemand de onderstroom benoemt?
De moeder daarentegen belichaamt de religieuze plichtsbetrachting. Zij is vroom, streng en volledig doordrongen van het katholieke ideaal van gehoorzaamheid en morele zuiverheid. Toch voelt haar geloof niet troostend of verbindend aan. Het is geen geloof dat warmte schept, maar een geloof dat discipline en afstand oplegt. Ze waakt over regels, over fatsoen, over wat hoort en wat niet hoort, maar zelden over het innerlijke leven van haar kinderen. Beiden ontbreekt het aan echte aandacht voor hun kinderen.
Alles oogt indrukwekkend en solide, maar er heerst geen echte geborgenheid. De grens tussen succes en verval is flinterdun. Die indruk wordt versterkt door de val van Ambrose als kind van een hogere verdieping van het imposante herenhuis. Hij stort naar beneden, overleeft het, maar blijft voor de rest van zijn leven fysiek kwetsbaar. Zijn lichaam draagt voortaan een breuk, die als een blijvende zwakte symbool staat voor het leven van een zoon die nooit de wensen van zijn vader zal kunnen vervullen.
Naast deze economische en politieke ontwikkelingen geeft Olyslaegers, door de ogen van Amandine, ook een indringend beeld van het fin de siècle. Het eind van de 19e eeuw wordt gekenmerkt door modernisme en zijn défaitisme. Het is een tijd van grote veranderingen omwille van een doorgedreven industrialisering en grote technologische omwentelingen. Tegelijk is het een tijd die voor velen keihard was en waar het leven vooral overleven was. Die tegenstrijdigheden vormen het onderwerpen van tal van denkers en schrijvers. De auteur verweeft bestaande literaire werken uit die periode in het weefsel van het verhaal. Zo duikt het gedicht ‘La Mort a bu du sang’ van Émile Verhaeren op, een dichter die zelfs door tante Bella wordt ontvangen. Ook titels als Anvers, Métropole du Commerce et des Arts van G. Beetemé en Bruges-la-Morte van Georges Rodenbach resoneren in de achtergrond. Het zijn geen losse verwijzingen, maar spiegels waarin Antwerpen zichzelf herkent als stad van handel én melancholie.
Als een rode draad door de roman loopt bovendien de geschiedenis van Merlijn en zijn halfzuster Ganieda, hoofdpersonen in het boek dat Amandine en Ambrose bij hun geboorte van tante Bella kregen. Amandine identificeert zich met Ganieda en Ambrose wordt Merlijn. Die mythische identificatie verleent hun bestaan een symbolische diepte. Rede en mystiek lijken opnieuw over twee lichamen verdeeld. Wanneer Ambrose en Amandine aan het einde samen citeren uit ‘Le Monstre’ uit Les Fleurs du Mal van Charles Baudelaire, bereikt hun verbondenheid een dramatisch hoogtepunt. In dat moment van herkenning overstijgen ze even de breuklijnen die hen van hun familie en hun tijd scheiden.
Een belangrijk personage en sleutelfiguur in hun opvoeding is hun tante Bella, de vrijgevochten zus van hun vader. In haar aanwezigheid verschuift de sfeer: minder controle, meer intuïtie. Zij introduceert de kinderen in een wereld van kruiden, spiritisme en alchemie, in een manier van kijken waarin niet alles meetbaar of beheersbaar hoeft te zijn. Gaandeweg wordt duidelijk dat die spirituele dimensie geen vrijblijvende fascinatie is. Amandine blijkt ontvankelijk voor wat zich aan het oog onttrekt. Zij lijkt een medium te zijn, iemand via wie stemmen uit het verleden zich opnieuw kunnen aandienen. Zelfs na de dood van tante Bella lijkt haar aanwezigheid niet volledig te verdwijnen. Wat rationeel onmogelijk is, krijgt in Amandines beleving een plaats. Ook meer cerebrale fenomenen kleuren die zoektocht naar het onzichtbare. Hypnose verschijnt zowel als variété, gebracht door de toen beroemde Alfredo Donato, als in een ernstiger, wetenschappelijke context bij de ‘zielsarts’ Frederik van Eeden, die in Antwerpen een lezing houdt waar Amandine bij aanwezig is. De grens tussen wetenschap en mystiek blijkt dun. Evenzeer spelen geheime genootschappen en de Vrijmetselarij een rol in dit netwerk van ideeën.
Ambrose laat zich meeslepen door deze esoterische onderstromen. Onder invloed van Joséphin Péladan richt hij samen met zijn ‘bloedbroeder’ Georges Le Clément de Saint-Marcq het genootschap ‘In obscuro semina iacimus’ op. Wat begint als intellectuele fascinatie, krijgt een steeds radicalere vorm, met zwarte missen en provocatieve rituelen. De figuur van Saint-Marcq, die bekendstaat om zijn extreme interpretaties van religieuze symboliek, toont hoe dicht mystiek en decadentie in deze periode bij elkaar liggen. Het fin de siècle wordt zo niet enkel een esthetische, maar ook een existentiële crisis.
Tijdens het lezen moest ik onwillekeurig denken aan Buddenbrooks, dat ik enkele jaren geleden las. Ook daar staat een trotse burgerlijke familie centraal die gelooft in arbeid, discipline en reputatie. De figuur van Hanno Buddenbrook deed me sterk aan Ambrose denken. Beiden zijn geen rebellen in luidruchtige zin, maar eerder fragiele zielen die zich niet meer volledig kunnen vereenzelvigen met het wereldbeeld van hun vaders. Hun verfijning is tegelijk hun kracht en hun beide romans zie je hoe een wereld die zich onaantastbaar waant, langzaam van binnenuit wordt uitgehold. Niet door spectaculaire instorting, maar door vermoeidheid, verfijning en twijfel. De jongste generatie voelt wat de oudste niet wil erkennen: dat achter de façade van vooruitgang een diepe kwetsbaarheid schuilgaat. In De wonderen krijgt die kwetsbaarheid bovendien een spirituele dimensie. Onder de marmeren vloeren van orde en vooruitgang beweegt een andere werkelijkheid, een werkelijkheid van tekens, planten, stemmen en herinneringen. En misschien is het precies die onderstroom die maakt dat dit imposante huis, ondanks al zijn grandeur, nooit helemaal geruststellend aanvoelt.



Opmerkingen