top of page

De stille kracht (1900) Louis Couperus

Bijgewerkt op: 16 jul 2023


Hoera! Het is weer eens een Couperusjaar. De auteur 100 jaar geleden (1923) overleden en elke reden is goed om zijn werk te lezen. Bijvoorbeeld "De Stille kracht". De roman vertelt het verhaal van resident Otto van Oudijck en zijn familie die in Java (Indonesië) tot de koloniale elite behoorden eind 19e eeuw.


Achtergrond

Om het boek goed te verstaan is het interessant wat achtergrond te hebben van het koloniaal verleden van Nederland. Java werd door de Nederlanders gekoloniseerd vanaf de late 16e eeuw. Eerst gebeurde dit door de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC) om dan later over te gaan in de handen van de Nederlandse staat. De handel concentreerde zich voornamelijk rond specerijen, thee en koffie. Het is belangrijk om te weten dat het koloniaal systeem gebaseerd was op een beperkte leidende klasse van Nederlanders, onder andere de residenten zoals van Oudijck, die via de lokale elite, de regenten, over een enorm gebied regeerden.

De Nederlanders voerden een verdeel en heers tactiek toe en wisten handig gebruik te maken van de twisten tussen de inheemse vorsten door één vorst te helpen tegen een andere, in ruil voor handelsvoordelen en monopolies. Het koloniaal systeem stond volledig ten bate van het moederland. In de tweede helft van de 19e eeuw kwam er vanuit Nederland meer en meer kritiek op het systeem.

Zeer bekend is natuurlijk Max Havelaar van Multatuli (pseudoniem Eduard Douwes Dekker), 1860. Hij formuleert zijn kritiek heel sterk op het eind van het boek:


Halt, ellendig produkt van vuile geldzucht en godslasterlyke femelary! Ik heb u geschapen... ge zyt opgegroeid tot een monster onder myn pen... ik walg van myn eigen maaksel: stik in koffi en verdwyn!


Ja, ik, Multatuli “die veel gedragen heb” neem de pen op!


[...]


Ja, ik zal gelezen worden!


Als dit doel bereikt is, zal ik tevreden zyn. Want het was me niet te doen om goed te schrijven... ik wilde zóó schryven dat het gehoord werd. En, even als iemand die roept: “houdt den dief! “ zich weinig bekommert over den styl zyner geïmproviseerde toespraak aan ’t publiek, is ’t ook my geheel om ’t even hoe men de wyze zal beoordelen waarop ik myn “houdt den dief” heb uitgeschreeuwd.


“Het boek is bont... er is geen geleidelykheid in... jacht op effekt... de styl is slecht....de schryver is onbedreven... geen talent... geen methode..”


Goed, goed, alles goed! Maar... de Javaan wordt mishandeld!


Het verhaal

Otto Van Oudijck is een "selfmade man" die wars van emoties een sterke carrière heeft uitgebouwd en een gerespecteerd man is. Hij heerst op besliste wijze over zijn mandaatsgebied terwijl zijn vrouw Leonie buitenechtelijke relaties heeft met onder andere haar stiefzoon, Theo, als met de aanstaande van haar stiefdochter, Addy. Van Oudijck zelf is echter blind voor de passie die zich onder zijn eigen dak afspeelt. Van Oudijck gaat helemaal op in zijn werk en in zijn drang om de westerse waarden en normen hoog te houden.

Guna Guna word ook wel geschreven als Goena Goena. Het staat bij Indische families bekend als Zwarte Magie, Black Magic of de Stille Kracht.

Op een gegeven moment komt de resident in botsing met zijn Indonesische regent, lid van een plaatselijke adellijke familie, die de gewone bevolking uitzuigt en op grote schaal fraude pleegt. Van Oudijck overweegt de regent te ontslaan. Op een gegeven moment komt de moeder van de regent pleiten voor haar zoon en is bereid zich te vernederen tegenover Van Oudijck. Het ontslag van haar zoon zou een schande zijn voor de familie en zou veel wraakgevoelens kunnen oproepen tegenover Van Oudijck. Dit was het moment voor Van Oudijck om zich in te leven in de cultuur van de kolonie. Van Oudijck streng in de leer ontslaat de regent, ongevoelig voor de sentimenten bij de plaatselijke bevolking leven met alle gevolgen van dien. Het ontslag zet het leven van Van Oudijck en zijn familie op zijn kop en is het begin van een serie mysterieuze gebeurtenissen die de Van Oudijcks zullen teisteren.

Dat er iets veranderd is komt voor het eerst tot uiting tijdens een liefdesscène van Léonie en en haar stiefzoon Theo.


Zij bleef een poze turen en opende toen, op een kier, de jaloezie ... En zij zag, dat ook de jaloezie van Theo's kamer zich even opende ... Toen glimlachte zij; knoopte vaster de sarong, en legde zich weer te bed. Zij luisterde ... Hij kwam nader, hij was in slaapbroek en kabaai en hij zette zich op de rand van het bed en speelde met haar witte, mollige handen, en ineens zoende hij haar met razernij. Op dit ogenblik siste er een steen door de kamer.


De eerste "steen" is geworpen. Er volgen anonieme bedreigingen, plotseling optredende ziekten en als apotheose een regen van bloedspatten op het badende lijf van residentsvrouw Leonie.

Er ontstaat een onhoudbare situatie. De resident weet de stenen- en bloedregens te doen ophouden, nadat hij regent Adiningrat de wacht heeft aangezegd. Maar de toestand in het residentiehuis wordt met de dag onheilspellender, en het gezin valt uit elkaar. Leonie verlaat haar man en gaat naar Europa. En de resident zelf -de man die nooit voor oppositie wilde wijken- neemt vrijwillig ontslag en gaat met een jonge Indonesische vrouw ergens in het achterland wonen, midden tussen de gewone kampongbewoners. Ook in hun vriendenkring van westerlingen is dan de angst al toegeslagen voor de geheimzinnige, ‘stille’ kracht die zich uit in tal van vreemde verschijnselen.


Het was vroeger anders, zei de oude mevrouw De Harteman, de schoonmoeder van Eva's vriendin. Nu waren ze er niet meer, de gezellige huizen met hun Indische gastvrijheid, met hun open tafel, met hun oprechte hartelijkheid van ontvangst. Want het karakter van den kolonist was als veranderd, als versomberd door het omslaan der kansen, door de teleurstelling, dat hij niet spoedig zijn doel bereikte: zijn materialistisch doel van rijkdom. En in die bitterheid scheen het, dat zijne zenuwen zich ook vernijdigden; zooals zijn ziel versomberde, verslapte zijn lichaam en bood het geen weêrstand aan het vernietigende klimaat...


In een gesprek, aan het eind van de roman, met een Eva Eldersma, geeft de resident zijn falen toe. Hij concludeert dat hij 'zwakker was geweest dan Dát', en dat er tegen de stille kracht die het hele Indische leven beheerst, niet te vechten valt.


Thema en motieven
Zeer opvallend aan dit boek is dat hoewel het reeds meer dan 100 jaar geleden geschreven is, het nog steeds zeer actueel aanvoelt. Hieronder een poging om een aantal opvallende zaken op te lijsten.

Zoektocht naar houvast

Waar Otto staat voor de westerse rechtshapenheid, staat zijn vrouw voor de decadentie. Een duidelijke kritiek op het koloniaal systeem. Dit boek is echter meer dan een kritische blik op het koloniaal bewind, maar een roman over de mens die zoekt naar houvast in een onbeheersbare wereld. Die houvast wordt soms bereikt, maar is enkel tijdelijk en kan je elk moment ontglippen. Deze gedachte blijft zeer actueel. De wereld op Java is voor de westerse mens zeer moeilijk te vatten. Hoe onbeheersbaar die wereld is, blijkt reeds uit de openingsscène waarin het decor zeer mysterieus wordt beschreven met een zeer rijke taal.



De volle maan, tragisch dien avond, was reeds vroeg, nog in den laatsten dagschemer opgerezen als een immense, bloedroze bol, vlamde als een zonsondergang laag achter de tamarindeboomen der Lange Laan en steeg, langzaam zich louterende van hare tragische tint, in een vagen hemel op. Een doodsche stilte spande alom als een sluier van zwijgen, of, na de lange middagsiësta, de avondrust zonder overgang van leven begon. Over de stad, wier wit gepilaarde villa-huizen laag wegscholen in het geboomte der lanen en tuinen, hing een donzende geluideloosheid, in de windstille benauwdheid der avondlucht, als was de matte avond moê van den zonneblakenden dag der Oostmoesson.


Oost vs West

Het boek toont de confrontatie tussen de westerse ideeën van de kolonialen in het toenmalige Nederlands-Indië en de autochtone, onderdrukte Javaanse bevolking. De kolonialen trachten op elk vlak hun cultuur en hun manier van leven te behouden en te cultiveren. Eva Eldersma, de vrouw van een medewerker van Van Oudijck, tracht de Europese kunst en cultuur te bewaren en uit te dragen. Ze houdt vast aan de muziek van Wagner en de Europese literatuur. Toch wordt dit door het Oosten langs alle kanten aangetast. Soms letterlijk door het onverbiddelijke klimaat. Eva ziet de Europese architectuur in Java ten ondergaan door de hitte en de vochtigheid. De autochtone bevolking kijkt anders tegen het leven aan en gedraagt zich wel onderdanig, maar onderhuids broeit er verzet. In De stille kracht zet Couperus de westerse gedachtewereld, die stoelt op logica en rationaliteit, tegenover de oosterse, waarin de vergankelijkheid van het individuele leven en de ondergeschiktheid daarvan aan hogere en onzichtbare machten voorop staan.


,,De Europeaan'', schrijft Couperus ,,is iemand die zich inburgert in een land, vijandig aan zijn bloed, en die moet toegeven: 'Wij zijn idioot, hier, wij westerlingen in dit land, met onze dode beschaving, die het hier toch niet uithoudt'


‘...en altijd is er tussen de kloof, de diepte, de afgrond, het verre, het wijde, waaruit aandonst het mysterie, waarin als in een wolk, de stille kracht eens zal openbliksemen.’


Er is niet één werkelijkheid

Het onzichtbare, het ongrijpbare. Alleen het aanvaarden van die bovennatuurlijke kracht kan een mens gemoedsrust schenken. Voor het westerse denken is geen plaats in het Oosten. Otto van Oudijck en Eva Eldersma erkennen dat ze zich in een wereld bevinden die ze uiteindelijk niet kunnen bevatten, laat staan beheersen. Otto en Eva beseffen dat hun blik op werkelijkheid beperkt en eenzijdig is. Door te veel in hun eigen wereld te blijven, wordt hun verbeelding van de werkelijkheid als het ware inbeelding. Alsof er geen andere werkelijkheid mogelijk is. Het naast elkaar leven, het niet begrijpen als thema in het boek, uitgegeven in 1900, is nog steeds brandend actueel.


De stille kracht

Hieronder een zeer sterke passage uit de roman waaruit de dreiging van de stille kracht blijkt die op de westerlingen drukt en de teloorgang van zijn normen en waarden onontkoombaar maakt.

De mystiek der zichtbare dingen op dat eiland van geheimzinnigheid, dat Java is... Uiterlijk de dociele kolonie met het overheerschte ras, dat niet opgewassen was tegen den ruwen koopman, die, in den glorietijd van zijn republiek, met de jonge kracht van een jeugdig volk, gretig en winzuchtig, rond en koel, plantte voet en vlag op de in-een stortende keizerrijken, op de tronen, die wankelden, als had de grond vulkanisch geaardbeefd. Maar, diep in zijn ziel, nooit overheerscht, hoewel zich, voornaam minachtend glimlachend, schikkend, lenig neêrvlijende onder zijn noodlot; diep in zijn ziel, trots een in het stof kruipenden eerbied, vrij levend een eigen mysterie-leven, verborgen voor den Westerschen blik, hoe die ook het geheim te doorgronden zoekt - als met een wijsbegeerte van toch vooral glimlachend voorname rust te bewaren, buigzaam toegevende, hoffelijk schijnbaar naderende - maar diep in zich heilig zeker van eigen meening, en zoo wijd verwijderd van alle overheerschers-gedachte, overheerschers-beschaving, dat een verbroedering tusschen meester en dienaar nooit zijn zal, omdat onoverkomelijk het verschil blijft, dat voortwoekert in ziel en bloed. En de Westerling, prat op zijn macht, op zijn kracht, op zijn beschaving, humaniteit, troont hoog, blind, egoïst, eigendachtig tusschen al de ingewikkelde raderen van zijn autoriteit, die hij uurwerkzeker laat grijpen in elkaâr, contrôle op iedere wenteling, tot voor vreemden, buitenaf, een meesterwerk, wereldschepping, schijnt te zijn die overheersching der zichtbare dingen: kolonizatie van den bloedvreemden, zielvreemden grond. Maar onder al dit vertoon schuilt de stille kracht, en sluimert nu, en wil niet strijden. Onder al dien schijn der zichtbare dingen, dreigt het wezen der stille mystiek, als smeulend vuur in den grond en als haat en mysterie in het hart. Onder al deze rust van grootheid dreigt het gevaar, en rommelt de toekomst als de onderaardsche donder in de vulkanen, onhoorbaar voor het menschelijk oor. En het is alsof de overheerschte het weet en maar laat gaan de stuwkracht der dingen en afwacht het heilige oogenblik, dat komen zal, als waar zijn de geheimzinnige berekeningen. Hij, hij kent den overheerscher met eén enkelen blik van peildiepte; hij, hij ziet hem in die illuzie van beschaving en humaniteit, en hij weet, dat ze niet zijn. Terwijl hij hem geeft den titel van heer en de hormat van meester, kent hij hem diep in zijn democratische koopmansnatuur, en minacht hem stil en oordeelt hem met een glimlach, begrijpelijk voor zijn broeder, die glimlacht als hij. Nooit vergrijpt hij zich tegen den vorm van de slaafsche knechtschap, en met de semba doet hij of hij de mindere is, maar hij weet zich stil de meerdere. Hij is zich bewust van de stille kracht, onuitgesproken: hij voelt het mysterie aandonzen in den ziedenden wind van zijn bergen, in de stilte der geheimzwoele nachten, en hij voorgevoelt het verre gebeuren. Wat is, zal niet altijd zoo blijven: het heden verdwijnt. Onuitgesproken hoopt hij, dat God zal oprichten, wat neêr is gedrukt, eenmaal, eenmaal, in de ver verwijderde opendeiningen van de dageradende Toekomst. Maar hij voelt het, en hoopt het, en weet het, in de diepste innigheid van zijn ziel, die hij nooit opensluit voor zijn heerscher. Die hij ook niet zoû kunnen opensluiten. Die altijd blijft als het onleesbare boek, in de onbekende, onvertaalbare taal, waarin wel de woor-den de zelfde zijn, maar verschillend de tinten dier woorden, en anders regenbogend de schakeeringen der twee gedachten: prisma's, waarin de kleuren verschillen, als brekende uit twee zonnen: stralingen uit twee werelden. En nooit is er de harmonie, die begrijpt; nooit bloeit er de liefde, die eender voelt, en altijd is er tusschen de kloof, de diepte, de afgrond, het verre, het wijde, waaruit aandonst het mysterie, waarin als in een wolk, de stille kracht eens zal openbliksemen.



Alles komt terug ofwel de eeuwige wederkeer

Redelijk op het eind van het boek viel me ook volgende beschrijving op van het sociale leven in Batavia, hoofdstad van Java. Je kan onmogelijk naast de parallellen van vandaag kijken.

En Eva vond niet in Batavia de ideale stad van Europeesch-oriëntalische beschaving, die zij zich Batavia gedacht had in den Oosthoek. In dit groote centrum van zorg om geld, van verlangen naar geld, was alle spontaneiteit verdwenen en versufte het leven tot een zich eeuwig opsluiten in kantoor of in huis. Men zag elkaâr alleen op de receptie's, en verder besprak men elkaâr door de telefoon. Het misbruik van de telefoon voor huiselijk gebruik doodde alle gezelligheid tusschen kennissen. Men zag elkaâr niet meer, men hoefde zich niet meer te kleeden en het rijtuig - de wagen - te laten inspannen, want men cauzeerde door de telefoon, in sarong en kabaai, in nachtbroek en kabaai, en zonder zich bijna te bewegen. De telefoon was vlak bij de hand en door de achtergalerij tjingelde telkens het belletje. Men belde elkaâr op om niets, alleen om het pleizier te bellen. De jonge mevrouw De Harteman had een intieme vriendin, die zij nooit zag en iederen dag, gedurende een half uur lang, besprak door de telefoon. Zij ging er bij zitten, zoo vermoeide het haar niet. En zij lachte en schertste met haar vriendin, zonder zich behoeven te kleeden en zonder zich te bewegen. Zoo deed zij met andere kennissen ook: zij maakte hare visite's door de telefoon. Zij bestelde hare boodschappen door de telefoon.


 
 
 

Opmerkingen


bottom of page