top of page

A christmas carol (1843) Charles Dickens


Er zijn van die boeken die meer dan andere een stempel drukken op onze cultuur. Boeken waarvan personages, beelden en zinnen zich losmaken van de pagina’s en een plaats innemen in ons collectieve bewustzijn. A Christmas Carol is zo’n boek.


Dit jaar, in december 2025, lazen wij het opnieuw, van begin tot eind, met de lichtjes van de kerstboom op de achtergrond. Niet in een ingekorte of gemoderniseerde versie, maar zoals Charles Dickens het zelf neerschreef in december 1843. Het bleek een rijk, gelaagd verhaal, dat veel verder reikt dan het sentimentele kerstverhaal waarvoor het soms wordt gehouden. Wie zich wil onderdompelen in de kerstsfeer en tegelijk wil nadenken over menselijkheid, verantwoordelijkheid en verandering, kan dit vinden in dit boekje.


Hieronder leer je meer over de ontstaansgeschiedenis, de thema's en de inhoud van het boek. Onderaan de pagina vind je ook een Powerpoint en een muzieklijst die je kan gebruiken om het verhaal beeldend verder te vertellen.


Ontstaansgeschiedenis

A Christmas Carol verscheen in december 1843 en kwam niet toevallig tot stand. Dickens schreef het in een periode van grote sociale ongelijkheid in Engeland. Het industriële Londen groeide razendsnel, maar die vooruitgang ging gepaard met schrijnende armoede. Kinderarbeid was alomtegenwoordig, arbeidsomstandigheden waren hard en de kloof tussen arm en rijk werd steeds zichtbaarder. In datzelfde jaar woedde een fel maatschappelijk debat over de Poor Law, een armenwet die hulp zo onaantrekkelijk mogelijk maakte om misbruik te voorkomen. Voor Dickens was dit moreel onaanvaardbaar. Hij had net een schokkend rapport over kinderarbeid gelezen en hield meerdere toespraken om aandacht te vragen voor het lot van kwetsbare kinderen. De verontwaardiging en het mededogen die daaruit voortkwamen, vormen de morele motor van A Christmas Carol.


Die betrokkenheid was geen abstract idealisme. Dickens droeg de sporen van armoede zelf met zich mee. Als kind werkte hij in een schoensmeerfabriek nadat zijn vader in de schuldengevangenis belandde. De vernedering en onzekerheid van die periode zouden hem zijn leven lang bijblijven en verklaren zijn scherpe blik voor sociale onrechtvaardigheid. Tegelijk speelde ook een praktische noodzaak mee. Dickens had financiële problemen en zijn eerdere roman Martin Chuzzlewit verkocht minder goed dan gehoopt. Hij had een verhaal nodig dat snel geschreven kon worden, een breed publiek zou aanspreken en idealiter nog vóór Kerstmis zou verschijnen.


Het schrijven verliep intens en haast koortsachtig. In ongeveer zes weken tijd werkte Dickens aan het verhaal, vaak tot diep in de nacht. Hij maakte lange wandelingen door Londen en leefde zich volledig in in zijn personages. Tijdgenoten beschreven hoe hij hardop lachte en huilde tijdens het schrijven. Hij koos bewust voor een korte, toegankelijke vorm, geschreven in helder proza, zodat het verhaal niet enkel de elite, maar ook de gewone lezer zou bereiken.


Dat Dickens Kerstmis verbond met geesten, was geen vreemde keuze. In het Victoriaanse Engeland hoorde het vertellen van spookverhalen bij de kerstperiode. Kerst werd ervaren als een overgangsmoment, een tijd waarin verleden, heden en toekomst dichter bij elkaar kwamen en waarin morele bezinning bijna vanzelfsprekend was. Die verbinding tussen winter en het bovennatuurlijke gaat echter veel verder terug dan de negentiende eeuw. Lang vóór het christendom werd midwinter, rond de zonnewende, gezien als een bijzondere en kwetsbare periode. Het was een moment waarop de natuurlijke orde leek stil te vallen: de dagen waren kort, het licht schaars, en het leven leek zich terug te trekken. In die tijd geloofde men dat de grens tussen de wereld van de levenden en die van de doden dun werd. Geesten, voorouders en andere bovennatuurlijke krachten zouden zich makkelijker onder de mensen begeven. Midwinter was daardoor niet alleen een tijd van samenzijn en warmte, maar ook van waakzaamheid en bezinning.



In Germaanse Joelfeesten en Romeinse Saturnalia keerde dit gevoel steeds terug. Het waren feesten van overvloed en omkering, maar ook van ritueel en bescherming. Wanneer deze gebruiken later versmolten met het christelijke kerstfeest, bleef die dubbele laag aanwezig. Kerst werd een moment van licht in de duisternis, maar ook een tijd waarin men zich bewust werd van vergankelijkheid, herinnering en morele verantwoordelijkheid. Dat verklaart waarom kerstverhalen zo vaak balanceren tussen gezelligheid en onbehagen. (https://isgeschiedenis.nl/nieuws/de-kortste-dag-van-het-jaar-een-dag-vol-vieringen-en-rituelen)


Ook in de volkscultuur speelde bescherming tijdens deze “dunne tijd” een belangrijke rol. De notenkraker, die vandaag vooral als decoratie wordt gezien, was oorspronkelijk een beschermfiguur. Met zijn strenge blik en ontblote tanden moest hij het kwaad buiten houden, niet door zachtheid, maar door waakzaamheid. Net als Dickens’ geesten waakte hij symbolisch over het huis. Beide herinneren eraan dat warmte, veiligheid en menselijkheid geen vanzelfsprekendheden zijn, maar waarden die juist in tijden van duisternis actief bewaakt en onderhouden moeten worden.


Bij de publicatie hechtte Dickens veel belang aan de vorm. Het boek verscheen in een luxe uitvoering, met een rode linnen kaft, gouden letters en illustraties van John Leech. De afbeeldingen van John Leech droegen sterk bij aan de manier waarop het verhaal op lezers overkwam en hoe het in de loop der tijd visueel werd voorgesteld aan het publiek. Toen A Christmas Carol in december 1843 verscheen, was het niet alleen Dickens’ eerste “kerstboek”, maar ook zijn eerste samenwerking met Leech als illustrator. Zijn tekeningen geven context en emotie aan Dickens’ woorden. Zo werd Marleys bezoek aan Scrooge visueel voorgesteld met de zware kettingen die zijn last symboliseren, en bracht Leech Fezziwig’s kerstbal tot leven met dansende figuren vol warmte en beweging. De beelden hebben mee bepaald hoe latere generaties A Christmas Carol visueel zouden interpreteren.




De keuze voor de illustraties maakten het boek duur in productie, waardoor Dickens er zelf minder aan verdiende dan gehoopt. Toch werd het vrijwel meteen een groot succes. Het verhaal raakte een snaar bij een breed publiek en droeg bij aan een nieuwe invulling van Kerstmis als feest van verbondenheid, vrijgevigheid en morele verantwoordelijkheid. De naam Ebenezer Scrooge werd een begrip, synoniem voor gierigheid, maar ook voor de mogelijkheid tot ommekeer.


Thema's en de inhoud van het boek




Nog vóór het verhaal begint, richt Dickens zich rechtstreeks tot zijn lezer. Hij noemt A Christmas Carol een spookverhaal, maar maakt meteen duidelijk dat het hem niet om angst of sensatie te doen is. Hij wil “de geest van een gedachte tot leven wekken”: geen harde boodschap of opgeheven vinger, maar iets dat zachtjes aanwezig mag zijn. Die gedachte mag de lezer niet verbitteren tegenover elkaar, de kersttijd of de auteur zelf. Dickens hoopt dat deze geest goedaardig door de huizen van zijn lezers zal rondwaren, zonder dat iemand hem wil bezweren of buitensluiten.



Een verhaal in 5 coupletten.


Eerste couplet “MARLEYS SPOOK”

Marley was de zakenpartner van Ebenezer Scrooge. Samen hadden ze een kantoor waar geld kon geleend worden aan woekerrentes. Marley was dood, maar Scrooge zette de zaak verder. Op de dag van kerstavond werkt hij door alsof het een gewone dag is, alsof de dag erna geen enkele betekenis heeft. Hij is op zijn kantoor waar het nog kouder lijkt dan op straat. Scrooge is te gierig om kolen te verspillen aan warmte en houdt zijn klerk Bob Crachitt scherp in het oog. Scrooge is de personificatie van kilheid, achterdocht, gierigheid. Wanneer zijn neef, zijn enige familie, hem een vrolijk kerstfeest wenst en uitnodigt voor het kerstdiner, reageert Scrooge met hoon en afkeer. Zijn neef ziet kerst als een goede tijd, een tijd waar mensen hun hart openen en hun medemens zien als medereizigers naar het graf.

Wanneer twee heren hem om een financiële bijdrage vragen om te geven aan liefdadigheid, reageert hij onbegrijpend en afwijzend. Kerstmis is voor hem nutteloos sentiment, tijdverlies zonder economisch nut. Met veel tegenzin geeft hij zijn klerk Bob Crachitt, de goedheid zelve, vrijaf op 25 december. De dag erna wel op tijd op kantoor!

Diezelfde avond wordt Scrooge bezocht door het spook van zijn overleden zakenpartner Jacob Marley. Marley sleept zware kettingen met zich mee, gesmeed uit kasboeken, sleutels en geldkisten. Het zijn de zichtbare tekenen van een leven dat volledig in het teken stond van eigenbelang, van een totaal gebrek aan mededogen, menselijkheid. Hij torst zijn schuld, opgebouwd tijdens zijn leven, met zich mee en waarschuwt Scrooge dat ook hem dat lot wacht, tenzij hij bereid is te luisteren naar drie geesten die hem zullen bezoeken. De drie geesten zijn: de geest van kerst in het verleden, de geest van kerst in het heden, de geest van kerst in de toekomst.


Tweede couplet “De eerste van de drie geesten – de geest van kerst in het verleden"

De eerste geest — zacht en raadselachtig, tegelijk oud en jong — voert Scrooge mee naar zijn verleden. Hij brengt hem terug naar een verlaten schoolgebouw. De Geest wijst erop dat de school nog niet helemaal verlaten is. Op een van de banken zit een jongetje bij een klein vuurtje te lezen. Wanneer Scrooge zichzelf daar ziet zitten, zo eenzaam als hij altijd was, gaat hij op een schoolbankje zitten en huilt. Voor het eerst voelt hij openlijk medelijden met zijn jongere zelf. “Arme jongen,” fluistert hij, bewogen door een gevoel dat haaks staat op zijn gebruikelijke kilheid.


Scrooge ziet hoe verhalen uit boeken zijn enige gezelschap waren en hoe weinig warmte hij toen heeft gekend. Die herinnering maakt iets in hem los. De Geest leidt hem vervolgens naar een andere scène, waarin de toon verandert. Hij ziet zijn vroegere werkgever Fezziwig, wiens kerstfeest bruist van eenvoud en levensvreugde. Scrooge hoort winkeljongens vol lof spreken over hun meester en verdedigt hem fel wanneer de Geest suggereert dat Fezziwig maar weinig geld heeft uitgegeven. Hij beseft dat ware vrijgevigheid niet in geld schuilt, maar in aandacht, woorden en kleine gebaren.


Daarna ziet Scrooge zichzelf opnieuw, iets ouder nu. De zachtheid is nog niet volledig verdwenen, maar er sluipt al onrust in zijn blik. De schaduw van wat hij zal worden, tekent zich af. Naast hem zit Belle, zijn verloofde, gekleed in rouw. Met zachte vastberadenheid benoemt zij wat hij niet wil zien: zijn angst voor de wereld, zijn groeiende goudzucht, het verdwijnen van zijn edelere drijfveren. De verloving wordt verbroken.


Het visioen is daarmee niet afgelopen. De Geest toont Scrooge Belle opnieuw, jaren later, als vrouw en moeder in een warm, levendig gezin. Het is het leven dat Scrooge had kunnen leiden, maar heeft opgegeven. Scrooges hardheid is dus niet uit het niets is ontstaan. Het is het resultaat van gemiste kansen, verdrongen gevoelens en verkeerde keuzes die langzaam maar onherroepelijk hun tol hebben geëist.


Derde couplet “De tweede van de drie geesten – de geest van kerst in het heden”

De tweede geest toont Scrooge het heden. Hij is groot, warm en levendig, en brengt licht en overvloed waar hij verschijnt. Het is een overvloed die niet dreigend is, maar uitnodigend. De Geest toont hoe Kerst nu wordt gevierd — niet door Scrooge zelf, maar door anderen.


Ze komen bij het huis van Scrooges klerk, Bob Cratchit. Het is klein, eenvoudig, maar warm van sfeer. Bob komt binnen met de kleine Tim op zijn schouders. Tim heeft tenger lichaam en is zeer kwetsbaar door zijn zwakke gezondheid. Toch straalt het kind vreugde en levenslust uit. Bob Cratchit heft het glas: “Op de gezondheid van meneer Scrooge!” Mevrouw Cratchit sputtert echter tegen. Ze noemt Scrooge hard en ongevoelig en wenst hem allesbehalve goeds toe. Maar Bob sust haar zachtjes en herinnert haar aan de kinderen en aan Kerst. Met tegenzin stemt zij toe. Alleen op Kerst, zegt ze, wil ze drinken op de gezondheid van zo’n man.


Het visioen verschuift naar het huis van Scrooges neef. Ook daar heerst warmte en vrolijkheid. Men lacht om Scrooges afkeer van Kerstmis, maar zonder bitterheid. Zijn neef noemt hem een zonderlinge oude vrek, maar voegt eraan toe dat zijn gebreken hun eigen straf zijn en dat hij geen reden ziet om hem iets kwalijk te nemen. Het glas gaat opnieuw rond. “Op oom Scrooge!” klinkt het. Zelfs nu hij afwezig is, wordt hij opgenomen in het gezelschap.


Scrooge, die alles ziet en hoort zonder gezien te worden, voelt zich lichter worden. Hij zou hen graag bedanken, in stille, onhoorbare woorden, voor hun mildheid en hun goede wensen. Maar voordat hij die gedachte kan afronden, vervaagt het tafereel en is hij alweer onderweg met de Geest. Wat achterblijft, is het besef dat zijn hardheid vooral hemzelf gevangen houdt, en dat er, ondanks alles, nog altijd mensen zijn die hem een warm hart toedragen.


Vierde couplet “De laatste van de drie geesten – de geest van kerst in de toekomst”

De derde geest is zwijgzaam en dreigend. Hij toont Scrooge een toekomst waarin zijn dood onopgemerkt voorbijgaat en zijn leven geen sporen nalaat. Scrooge ziet ook wat er gebeurt als hij niets verandert: kleine Tim zal sterven. Het besef dat zijn keuzes gevolgen hebben, breekt definitief door.


Vijfde couplet “Hoe het afliep”

Wanneer Scrooge ontwaakt op kerstochtend, is hij een ander mens. Hij leeft, en dat alleen al vervult hem met vreugde. Hij opent ramen, lacht naar voorbijgangers, koopt een enorme kalkoen voor de familie Cratchit en viert kerst met zijn neef en diens gezin. Zijn verandering is geen opwelling, maar blijvend. Hij wordt een tweede vader voor Tiny Tim en een bron van warmte voor zijn omgeving.


Zo eindigt A Christmas Carol niet met een eenvoudige kerstgroet, maar met een boodschap die tot vandaag blijft resoneren. Dickens laat zien dat verlossing, empathie en maatschappelijke verantwoordelijkheid altijd mogelijk zijn, dat egoïsme en gierigheid overwonnen kunnen worden door mededogen, verbondenheid en het delen van rijkdom met wie het minder goed heeft. Het verhaal is zowel een scherpe kritiek op sociale ongelijkheid als een pleidooi voor menselijkheid, een verhaal van hoop. Zelfs een hart dat zo koud en gesloten is als dat van Scrooge kan ontdooien en plaatsmaken voor goedheid en gulheid. Tegelijkertijd legt Dickens de tekortkomingen van de Victoriaanse samenleving bloot, waarin armoede vaak werd genegeerd, waarin sociale zekerheid onbestaande is en winst boven menselijke waardigheid werd gesteld.

Hoewel Dickens het oppervlakkige commerciële aspect van Kerstmis bekritiseert, wilde hij natuurlijk dat zijn boek een breed publiek bereikte. Juist door een meeslepend en toegankelijk verhaal te schrijven, wist hij zijn boodschap over empathie, vergeving en sociale verantwoordelijkheid wijd te verspreiden. A Christmas Carol kan dus gelezen worden als een oproep tot een warm hart en verbeeldingskracht in plaats van puur economisch denken.


Wil je dit verhaal zelf verder vertellen? Dan kan je gebruik maken van de beelden in onderstaande Powerpoint


Om het nog stemmiger te maken heb ik ook een spotifylijst gemaakt met nummers die passen bij het verhaal en de tijd van Charles Dickens. De lijst vind je hier.



  • Inleiding: dia 1 tem 8

    • Schubert: 4 Impromptus, Op. 90, D.899

  • Eerste couplet: 9 tem 15

    • Beethoven Mondscheinsonate

  • Tweede couplet: 16 tem 20

    • Bach: Prelude

    • The Irish Rovers: Christmas Caroling

    • Ave Maria

  • Derde couplet: 21 tem 25

    • Handel: For unto us a child is born (Messiah)

    • English traditional Christmas carol: God rest ye merry gentlemen

  • Vierde couplet: 26 tem 29

    • Mozart: Requiem - lacrimosa

  • Vijfde couplet: 30 tem 3 5

    • Handel: Hallelujah (Messiah)

    • Charles Wesley: Hark, The herald angels sing






 
 
 

Opmerkingen


bottom of page