top of page

Evangelie volgens Johannes

  • 5 uur geleden
  • 9 minuten om te lezen
Johannes de Evangelist op Patmos -Jheronimus Bosch, 1489-1499
Johannes de Evangelist op Patmos -Jheronimus Bosch, 1489-1499

Het Evangelie volgens Johannes is het "jongste" evangelie. Het wordt gedateerd rond 90 à 110 n.C. en heeft een andere toon en opbouw dan de andere evangeliën. Je zou kunnen zeggen doordat het wat later is geschreven en wat verder afstaat van de beschreven gebeurtenissen, er een zeker mate van reflectie in de tekst aanwezig. De evangeliën volgens Matteüs, Marcus en Lucas krijgen de benaming synoptische evangeliën (Latijn: synopticus, Oudgrieks: synoptikós, "samen (ge)zien") genoemd. Wat betreft de beschreven verhalen, de volgorde van gebeurtenissen en de inhoud van de teksten vertonen ze een herkenbare gelijkenis. Dit in tegenstelling tot het evangelie volgens Johannes, dat hier volledig van afwijkt.


De traditionele toeschrijving wat de auteur betreft, gaat naar Johannes, zoon van Zebedeüs, een van de leerlingen van Jezus. Moderne bijbelwetenschap ziet het evangelie echter als het product van een gemeenschap, waarin tradities rond de “geliefde leerling” zijn bewaard en theologisch uitgewerkt. De jonge christelijke gemeenschap zoekt een eigen identiteit en reflecteert diep over wie Jezus werkelijk is. Dit evangelie leest dus niet als een biografie van Jezus van Nazareth, maar eerder als een theologisch getuigenis.


Hoofdstuk 1 opent op een manier die meer doet denken aan een hymne dan aan een biografisch relaas. De eerste woorden — “In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God” — plaatsen Jezus in een eeuwig perspectief.

Het is een verhaal waarin God zelf mens wordt om licht te brengen in een wereld die Hem niet herkent. Ondanks dat Christus als het licht in de duisternis schijnt, “heeft de duisternis het niet begrepen”.


Johannes de Doper wordt voorgesteld als getuige van dit licht. Hij predikt niet over zichzelf, maar wijst consequent weg van zichzelf, naar degene die na hem komt. Wanneer Jezus bij hem verschijnt, wijst hij Hem aan met de woorden: “Zie, het Lam Gods, Dat de zonde der wereld wegneemt.” (1:29) Daarmee klinkt al vroeg het motief dat Jezus’ weg er een van zelfopoffering en verlossing zal zijn.


Wanneer Jezus zijn eerste leerlingen ontmoet, gebeurt dit niet in een dramatische scène, maar in een stille beweging. Jezus draait zich om, en vraagt eenvoudig: “Wat zoekt gij?” Het antwoord is even eenvoudig als veelzeggend: “Waar woont Gij?” — een vraag die in dit evangelie steeds dieper zal resoneren. Jezus nodigt hen uit: “Kom en zie.” Aan het einde van dit eerste hoofdstuk belooft Jezus aan Nathanaël dat hij nog veel grotere dingen zal zien: “Gij zult den hemel geopend zien.”


Het tweede hoofdstuk opent met een bruiloft in Kana. Het tekort aan wijn lijkt op het eerste gezicht een banaal probleem, maar Johannes nodigt ons uit er dieper naar te kijken. Wanneer Jezus het water verandert in wijn, is dat niet alleen een wonder, maar het eerste “teken” dat een nieuwe werkelijkheid aankondigt. De ceremoniemeester zegt verwonderd: “Gij hebt den goeden wijn tot nu toe bewaard” (2:10). Johannes lijkt hiermee te suggereren dat in Jezus Gods overvloed eindelijk zichtbaar wordt: wat mensen tekort hebben, wordt in Hem overvloed.

Aansluitend volgt een scène in de tempel, waar Jezus de tafels van de wisselaars omverwerpt. Zijn woorden — “Maakt niet het huis mijns Vaders tot een huis van koophandel” — komen krachtig en bezield over. Wanneer Hij spreekt over het afbreken en herbouwen van de tempel in drie dagen, begrijpen de omstaanders Hem niet. Johannes vertelt er echter onmiddellijk achteraan dat Hij sprak over het tempelgebouw van zijn lichaam. Daarmee legt hij een eerste kiem voor het inzicht dat Jezus’ dood en verrijzenis het centrum van het evangelie zullen vormen.


In het derde hoofdstuk lezen we het gesprek tussen Jezus en de farizeeër Nikodemus. Nikodemus komt tot Jezus “bij nacht”, wat niet alleen een tijdsaanduiding is, maar ook een aanduiding van zijn innerlijke toestand. Hoewel hij zelf een man van het geloof is, is hij zoekend, tastend, nog niet in het licht. Wanneer Jezus tegen hem zegt dat “tenzij iemand wederom geboren wordt, hij het Koninkrijk Gods niet kan zien”, begrijpt Nikodemus dit letterlijk: hoe kan een mens opnieuw in de schoot van zijn moeder? Jezus legt geduldig uit dat Hij spreekt over een geboorte uit water en Geest — een nieuwe levenswijze die niet voortkomt uit biologische afkomst, maar uit openheid voor Gods adem. Midden in dit gesprek klinkt de beroemde zin die de kern van het evangelie samenvat: “Alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft.” (3:16) Jezus’ komst naar de wereld is een daad van overstromende liefde. Hij komt het licht brengen. Echter wie het licht weigert, zet uiteindelijk zichzelf in duisternis.


In hoofdstuk 4 ontmoet Jezus in Samaria een vrouw bij een bron, in het heetst van de dag. Jezus doorbreekt alle sociale en religieuze barrières door haar eenvoudig om water te vragen. De ontmoeting is ongewoon omdat Samaritanen door veel Joden als religieus onzuiver werden beschouwd én omdat een man in het openbaar normaal niet rechtstreeks met een vrouw sprak die niet tot zijn familie behoorde.

Wanneer Hij zegt dat Hij “levend water” kan geven dat de dorst voor altijd lest, begrijpt de vrouw dit eerst letterlijk. Gaandeweg wordt duidelijk dat Jezus spreekt over het water van een nieuw leven, een bron vanbinnen. De vrouw ontdekt dat Jezus haar kent, tot in haar verleden toe, en dat Hij haar niet verwerpt maar aanspreekt. Uiteindelijk wordt zij de eerste verkondiger van het evangelie. Ze laat haar kruik staan en loopt terug naar haar stad om anderen te vertellen wie zij heeft ontmoet. Wie echt drinkt van dit "levend water", wordt zelf een bron.


In hoofdstuk 5 ligt bij de vijver van Bethesda een verlamde man die al achtendertig jaar wacht op genezing. Jezus vraagt hem eenvoudig: “Wilt gij gezond worden?” Met die vraag doorbreekt Jezus de logica van afhankelijkheid en hopeloosheid die het leven van de man kenmerkt. Hij geneest hem, maar het is sabbat, en dat leidt tot conflict. De religieuze leiders zijn niet boos om de genezing, maar om de schending van de sabbatwet. Jezus antwoordt: “Mijn Vader werkt tot nu toe, en Ik werk ook” (5:17). Hiermee plaatst Hij zijn handelen in de sfeer van Gods voortdurende scheppingswerk en wordt duidelijk dat Jezus niet zomaar een profeet is, maar iemand die op unieke wijze deelt in Gods gezag en leven.


In hoofdstuk 6 vermenigvuldigt Jezus het brood en voedt daarmee duizenden. Johannes verbindt onmiddellijk dit teken met het verhaal van het manna in de woestijn, maar Jezus maakt duidelijk dat Hij niet gekomen is om maag en lichaam te vullen, maar meer kijkt naar het spirituele: Hij is het ware brood dat leven geeft. Wanneer Hij over dit brood spreekt — “Ik ben het Brood des levens” (6:35) — reageren velen geschokt. De menigte wil wel een wonderdoener, maar heeft moeite met de gedachte dat Jezus zelf het voedsel is dat zij nodig hebben. Velen verlaten Hem. Het hoofdstuk eindigt met de moedige woorden van Petrus: “Heere, tot wien zullen wij heengaan? Gij hebt de woorden des eeuwigen levens.”

De tekst toont hoe geloof niet vanzelfsprekend is, maar een bewuste keuze inhoudt voor een relatie met Jezus.


In hoofdstuk 7 roept Jezus tijdens het Loofhuttenfeest - een feest vol symboliek rond water en licht - uit: “Indien iemand dorst heeft, die kome tot Mij en drinke.” Hij belooft water dat uit iemands binnenste zal stromen. Dit beeld van overvloedige levenskracht staat opnieuw centraal.


In hoofdstuk 8 staat Jezus in de tempel en zegt: “Ik ben het Licht der wereld.” In een wereld die vaak in verwarring tast, toont Johannes Jezus als degene die richting geeft, helderheid, inzicht. Maar tegelijkertijd groeit het conflict met de religieuze leiders, die Jezus’ zelfopenbaring als godslastering ervaren.


Het negende hoofdstuk is bijna een klein toneelstuk op zich. Jezus geneest een blindgeborene, maar daarna ontspint zich een lange ondervraging waarin duidelijk wordt wie echt ziet en wie niet. De man gaat van onbegrip, naar verwondering, naar geloof. De leiders, die beweren te zien, tonen zich juist blind. Jezus zegt dan ook: “Indien gij blind waart, zo zoudt gij geen zonde hebben; maar nu gij zegt: Wij zien, zo blijft dan uw zonde.”

Johannes laat zien dat ware helderheid niet uit kennis of positie komt, maar uit openheid.


In hoofdstuk 10 beschrijft Jezus zichzelf als de goede herder die zijn leven geeft voor zijn schapen. Het beeld suggereert nabijheid, vertrouwen en bescherming. Johannes toont dat Jezus’ dood geen ongeluk is, maar een bewuste keuze om leven te schenken: “Niemand neemt Mijn leven van Mij, maar Ik leg het van Mijzelf af.” Het is een hoogtepunt in zijn zelfopenbaring.


Hoofdstuk 11. Het verhaal van Lazarus is het emotionele hoogtepunt van het eerste deel van Johannes. Jezus weent om zijn vriend — een van de meest menselijke momenten in dit evangelie — maar roept hem daarna krachtig tot leven. Dit teken maakt zowel Jezus’ liefde als zijn macht zichtbaar. Toch leidt precies dit teken tot het besluit van de leiders dat Jezus moet sterven. Ironisch genoeg zegt Kajafas: “Het is ons nut, dat één mens voor het volk sterft.” Zonder het te bedoelen, spreekt hij daarmee profetisch.


Hoofdstuk 12 vormt een overgang in het evangelie. Het openbare optreden van Jezus loopt ten einde en het verhaal richt zich steeds meer op zijn naderende dood. In Betanië wordt Jezus gezalfd door Maria. Zij giet kostbare nardus over zijn voeten en droogt die met haar haren. Deze daad van overdadige liefde roept weerstand op, vooral bij Judas, die spreekt over verspilling. Jezus duidt het moment echter als een voorbereiding op zijn begrafenis.


Wanneer Jezus Jeruzalem binnengaat, wordt Hij begroet als koning. Toch corrigeert Johannes elk triomfalisme: Jezus rijdt op een ezel. Zijn koningschap is anders dan verwacht. In dit hoofdstuk klinkt voor het eerst expliciet dat zijn "uur" gekomen is. Jezus vergelijkt zichzelf met een graankorrel die moet sterven om vrucht te dragen:


“Indien de graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft zij alleen; maar indien zij sterft, draagt zij veel vrucht.” (12:24)


Zo wordt duidelijk dat dood en leven bij Johannes onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn.


Hoofdstuk 13. De voetwassing en het nieuwe gebod Tijdens de laatste maaltijd doet Jezus iets onverwachts: Hij staat op, legt zijn bovenkleed af en wast de voeten van zijn leerlingen. Johannes vertelt hier geen instelling van de eucharistie, maar een teken dat de betekenis ervan blootlegt: liefde die dient. Petrus verzet zich, maar Jezus antwoordt:


“Indien Ik u niet was, gij hebt geen deel met Mij.” (13:8)


Hier wordt duidelijk dat leerling-zijn betekent: delen in Jezus’ levenshouding. Aan het einde van de maaltijd geeft Jezus een nieuw gebod:


“Dat gij elkander liefhebt, gelijk Ik u liefgehad heb.” (13:34)


Liefde wordt het herkenningsteken van zijn volgelingen.


Hoofdstuk 14. Troost en belofte. Jezus spreekt zijn leerlingen moed in. Hij weet dat zijn afscheid hen verontrust:


“Uw hart worde niet ontroerd.” (14:1)


Hij belooft dat Hij een plaats voor hen bereidt en dat Hij zelf de weg is:


“Ik ben de weg, de waarheid en het leven.” (14:6)


Daarnaast kondigt Hij de komst aan van de Heilige Geest, de Trooster, die bij hen zal blijven en hen alles zal leren. Jezus belooft een vrede die niet afhangt van omstandigheden:


“Mijn vrede geef Ik u; niet gelijk de wereld die geeft.” (14:27)




In hoofdstuk 15 gebruikt Jezus een beeld uit het dagelijks leven: de wijnstok. Zoals ranken alleen leven hebben wanneer ze verbonden blijven met de stam, zo kunnen leerlingen alleen vrucht dragen wanneer ze in Hem blijven.


“Blijft in Mij, gelijk Ik in u.” (15:4)


Liefde en verbondenheid staan centraal. Wie in Jezus blijft, wordt geroepen om liefde zichtbaar te maken in daden.


In hoofdstuk 16 bereidt Jezus zijn leerlingen voor op moeilijke tijden. Hij spreekt over vervolging en verdriet, maar ook over vreugde die zal terugkeren:


“Uw droefheid zal tot blijdschap worden.” (16:20)


De Geest zal hen begeleiden en helpen om de betekenis van Jezus’ woorden te begrijpen. Wat nu nog onduidelijk is, zal later helder worden.


Hoofdstuk 17 vormt het spirituele hoogtepunt van het evangelie. Jezus bidt voor zijn leerlingen en voor allen die later zullen geloven. Hij vraagt niet om bescherming tegen lijden, maar om verbondenheid:


“Opdat zij allen één zijn.” (17:21)


Eenheid wordt hier voorgesteld als deelname aan de liefde tussen Vader en Zoon.


In hoofdstuk 18 wordt Jezus gearresteerd in de hof van Gethsemane. Wanneer Hij zegt: “Ik ben het.” (18:5) vallen de soldaten achteruit. Zelfs op dit moment blijft Jezus degene die het initiatief neemt. Tegelijk toont Johannes de kwetsbaarheid van de leerlingen: Petrus trekt een zwaard en hakt een oor van een soldaat af, maar zal later Jezus driemaal verloochenen.


Het grootste deel van dit hoofdstuk speelt zich af rond de figuur van Pilatus. Johannes schildert hem niet als een wrede tiran, maar als een aarzelende bestuurder die heen en weer wordt geslingerd tussen waarheid en macht. In het gesprek met Jezus stelt Pilatus de beroemde vraag: “Wat is waarheid?” (18:38) Het is een vraag die onbeantwoord blijft, niet omdat Jezus geen antwoord heeft, maar omdat Pilatus het antwoord niet durft toe te laten. Pilatus voelt dat Jezus onschuldig is, maar hij is bang voor politieke onrust en gezichtsverlies. Hij blijft zoeken naar een uitweg zonder zelf verantwoordelijkheid te nemen.


Ook in hoofdstuk 19 speelt Pilatus een centrale rol. Hij laat Jezus geselen, niet zozeer uit overtuiging, maar in de hoop het volk gunstig te stemmen. Wanneer hij Jezus toont met de woorden: “Ziet, de Mens.” (19:5) klinkt er ironie in zijn uitspraak. Zonder het te beseffen wijst Pilatus hier op Jezus als de ware mens, kwetsbaar en toch koninklijk. Pilatus laat een opschrift boven het kruis plaatsen: “Jezus de Nazarener, de Koning der Joden.” (19:19)

Hoewel de leiders protesteren, weigert Pilatus de tekst te veranderen: “Wat ik geschreven heb, dat heb ik geschreven.” (19:22) Johannes toont Pilatus als iemand die Jezus’ koningschap verkondigt zonder het zelf te begrijpen. Uiteindelijk levert hij Jezus over, niet omdat hij Hem schuldig acht, maar omdat hij de druk niet weerstaat.


Johannes beschrijft de kruisiging zonder wanhoopskreet. Jezus draagt zijn kruis zelf en sterft met de woorden: “Het is volbracht.” (19:30) Uit zijn zijde vloeien water en bloed, tekenen van nieuw leven. Het kruis wordt zo een teken van verheerlijking.


In hoofdstuk 20 ontmoet Maria Magdalena de verrezen Jezus in de tuin. Zij herkent Hem pas wanneer Hij haar naam zegt: “Maria!” (20:16) Thomas gelooft pas wanneer hij ziet, maar Jezus zegt: “Zalig zijn die niet gezien hebben, en nochtans geloven.” (20:29) Het geloof wordt zo gericht op vertrouwen.


In hoofdstuk 21 verschijnt Jezus aan het meer van Tiberias. Petrus krijgt drie keer de vraag:

“Hebt gij Mij lief?” (21:17) Elke vraag herstelt een verloochening. Het evangelie eindigt met het getuigenis van de geliefde leerling: wat hier verteld is, komt voort uit wat gezien en doorleefd is.





 
 
 

Opmerkingen


bottom of page