Evangelie Marcus
- Wouter Vanderstraeten
- 1 jul 2024
- 8 minuten om te lezen
Bijgewerkt op: 21 nov 2024
De zestien hoofdstukken van het evangelie volgens Marcus kun je in twee delen verdelen. Het boek begint met een inleiding waarin Johannes de Doper als eerste duidelijk maakt wie Jezus is (Marcus 1:1-13). Daarna volgt de rest van het eerste deel van Marcus, waarin verteld wordt over het werk van Jezus in Galilea (Marcus 1-10). Wonderverhalen en voorbeeldverhalen (gelijkenissen) maken duidelijk dat Gods nieuwe wereld echt begonnen is. Het tweede deel van het evangelie volgens Marcus speelt zich af in Jeruzalem (Marcus 11-16), en gaat vooral over het lijden van Jezus, zijn dood en zijn opstanding.
Het evangelie begint met de aankondiging van de goede boodschap van Jezus Christus, de Zoon van God. Er wordt verwezen naar een profetie uit Jesaja die de komst van een boodschapper voorspelt die de weg voor de Heer zal bereiden. Het evangelie van Marcus focust onmiddellijk op de volwassen Jezus die reeds in hoofdstuk 1 gedoopt wordt door Johannes de Doper waarna de Geest op Jezus neerdaalt in de vorm van een duif. Deze gebeurtenis markeert een belangrijk moment in de Bijbel en symboliseert de bekrachtiging van Jezus door de Heilige Geest aan het begin van zijn openbare bediening. De Geest leidt Jezus naar de woestijn, waar Hij veertig dagen wordt verzocht door Satan.
Na de arrestatie van Johannes begint Jezus in Galilea te prediken en roept zijn eerste discipelen: Simon (Petrus) en Andreas, en later Jakobus en Johannes, zonen van Zebedeüs.
Marcus 1:17: "Kom, volg Mij, en Ik zal maken dat jullie vissers van mensen worden."
Ze verlaten onmiddellijk hun werk om Hem te volgen waarna ze op weg gaan door Galilea waar Jezus de blijde boodschap gaat verkondigen en zieken geneest.
In hoofdstuk 2 start met de genezing van een verlamde mand die door zijn vrienden tot bij Jezus wordt gebracht door het dak van het huis waar Jezus zich bevindt open te breken en de man op een matras neer te laten. De man staat onmiddellijk op, neemt zijn matras en loopt weg. Naast het genezen van zieken, laat hij zich ook in met zondaars. Wanneer Jezus Levi de tollenaar ziet, zegt hij dat hij hem moet volgen. zegt tegen hem: "Volg Mij." De vorige twee handelingen worden slecht onthaald door de schriftgeleerden en Jezus komt men hen ook in discussie over de sabbat. Op een sabbat loopt Jezus met zijn discipelen door de graanvelden, en de discipelen beginnen aren te plukken. De farizeeën vragen Jezus waarom zijn discipelen iets doen wat op de sabbat niet geoorloofd is. Jezus antwoordt door te verwijzen naar het verhaal van David, die op een noodmoment het brood van de tegenwoordigheid at, dat alleen voor de priesters was.
Marcus 2:27-28: "En Hij zei tegen hen: 'De sabbat is gemaakt om de mens, en niet de mens om de sabbat. Daarom is de Zoon des mensen ook heer over de sabbat.'"
In hoofdstuk 3 geneest Jezus een man met een verschrompelde hand in de synagoge op de sabbat. Dit leidt tot een confrontatie met de Farizeeën.
Marcus 3:4-5: "Toen zei Hij tegen hen: 'Wat is toegestaan op de sabbat? Goed doen of kwaad doen, een leven redden of doden?' Maar zij zwegen. Hij keek hen toornig aan en bedroefde Zich over hun verhardheid, en zei tegen de man: 'Steek uw hand uit.' Hij stak zijn hand uit, en zijn hand werd weer gezond."
Verder roept Jezus twaalf mannen om Zijn apostelen te worden, waarbij ook Judas Iskariot wordt benoemd als hij die Hem heeft uitgeleverd. Hij benoemt hen om bij Hem te zijn, om uit te zenden om te prediken, en om macht te hebben om demonen uit te drijven. Jezus verklaart dat Zijn ware familie degenen zijn die de wil van God doen en geeft zo de definitie van ware verwantschap in het Koninkrijk van God.
Hoofdstuk 4 van het Evangelie van Marcus richt zich voornamelijk op Jezus' onderwijs in de vorm van gelijkenissen en de demonstratie van zijn macht over de natuur. Jezus legt aan zijn discipelen uit waarom hij in gelijkenissen spreekt. Hij citeert Jesaja om te verklaren dat gelijkenissen zijn bedoeld om degenen buiten zijn kring niet direct de volle betekenis te laten begrijpen, terwijl zij die binnen zijn, zoals de discipelen, meer inzicht krijgen.
Jezus vertelt een gelijkenis over een zaaier die zaad op verschillende soorten grond zaait. De uitkomst van het zaad hangt af van de grond waarin het valt (weg, rotsachtige plekken, doornstruiken, goede grond). Later legt Jezus de gelijkenis uit aan zijn discipelen, waarbij de verschillende gronden de verschillende manieren vertegenwoordigen waarop mensen reageren op het Woord van God.
Jezus vergelijkt het Koninkrijk van God met een mosterdzaadje, dat het kleinste van alle zaden is, maar uitgroeit tot de grootste van alle tuingewassen, met grote takken waar vogels onder kunnen schuilen. Dit symboliseert hoe iets kleins en onopvallends groot en betekenisvol kan worden.
Aan het eind van de dag stelt Jezus voor om naar de overkant van het meer te varen. Een hevige storm steekt op terwijl Jezus slaapt. Zijn discipelen wekken Hem in paniek en Hij kalmeert de storm met een woord. Hij berispt vervolgens zijn discipelen voor hun gebrek aan geloof, wat hun ontzag voor zijn macht over de natuur versterkt.
Hoofdstuk 5 van het Evangelie van Marcus beschrijft drie grote wonderen van Jezus, die allemaal zijn macht en autoriteit over demonische krachten, ziekte en de dood demonstreren. Het gaat om de genezing van de bezetene van Gadara (Marcus 5:1-20), de genezing van de vrouw met bloedvloeiingen (Marcus 5:24-34), de opwekking van het dochtertje van Jaïrus (Marcus 5:21-24, 35-43). De gebeurtenissen in dit hoofdstuk laat ook zien hoe verschillende mensen op Jezus' wonderen reageren, variërend van angst en afwijzing tot geloof en verwondering.
In hoofdstuk 6 wordt Jezus geconfronteerd met ongeloof wanneer Hij naar Zijn vaderstad Nazareth gaat en er begint te onderwijzen in de synagoge. De mensen zijn verbaasd over Zijn wijsheid en de machtige werken die Hij verricht en nemen aanstoot aan Hem omdat ze Hem kennen als de zoon van een timmerman. In het hoofdstuk wordt ook de onthoofding van Johannes de Doper beschreven. Jezus stelt enkele wonderbaarlijke daden: de wonderbare spijziging van de vijfduizend, het lopen op het water en de genezing van zieken in Gennesaret.
In hoofdstuk 7 komt Jezus terug in aanvaring met de schriftgeleerden wanneer zij hem wijzen op het feit dat zijn leerlingen brood aten met ongewassen handen. Jezus antwoordt hen.
Marcus 7:8 Jullie laten het gebod van God los maar houden vast aan de tradities van mensen.
Marcus 7:15 Niets wat van buitenaf in iemand komt, kan hem onrein maken, maar wat uit iemand komt, dat maakt hem onrein.’
Wanneer zijn volgelingen uitleg vragen over die laatste uitspraak, verklaart Jezus alle spijzen rein. Het heeft dus geen zin om jezelf te vermoeien met talloze door de mens opgelegde regels.
In hoofdstuk 8 en 9 vertelt Jezus aan zijn discipelen dat hij de Mensenzoon veel zou moeten lijden en dat hij gedood zou worden en na drie dagen weer opstaan. Petrus gaat hier echter niet mee akkoord, maar Jezus wijst hem terecht. Jezus neemt Petrus, Jakobus en Johannes mee de berg op. Daar verschijnen Mozes en Elia een hen en horen ze een stem die aangeeft dat Jezus zijn geliefde zoon is. Jezus geeft zijn discipelen verder onderricht en maakt hen klaar om Zijn boodschap verder uit te dragen.
In hoofdstuk 10 spreekt Jezus zich duidelijk uit over het huwelijk tussen man en vrouw als één en ondeelbaar. Verder geeft Jezus aan dat het nastreven van rijkdom geen vereiste is om de hemel te bereiken, integendeel. Het is volgens Jezus gemakkelijker voor een kameel om door een oog van de naald te kruipen dan voor een rijke om de hemel te bereiken. Hij waarschuwt ook zijn volgelingen dat het uitdragen van het evangelie wel de hemel zal bereiken maar op aarde zal vervolgd worden. Hij gaat op weg naar Jeruzalem en opnieuw bereidt Hij zijn volgelingen voor op wat Hem daar te wachten staat. Hij roept hen ook op om zich dienstbaar op te stellen.
Vanaf hoofdstuk 11 komen we terecht in de gebeurtenissen van de laatste week van het leven van Jezus. In dit hoofdstuk lezen we de blijde intocht van Jezus Christus in Jeruzalem en Zijn veroordeling van de vele economische activiteiten in de tempel.
In hoofdstuk 12 vertelt Jezus de gelijkenis van de wijngaard. De gelijkenis komt hier op neer:
Een landeigenaar (God) plant een wijngaard (gemeenschap van gelovigen), omheint hem, maakt een wijnperskuil en bouwt een toren. Hij verhuurt de wijngaard aan landbouwers (religieuze leiders) en gaat op reis. Wanneer het tijd is om de vruchten te oogsten, stuurt de landeigenaar zijn dienaren om de opbrengst van de wijngaard op te halen. De landbouwers behandelen de dienaren echter slecht: ze mishandelen, doden of sturen hen met lege handen weg. De landeigenaar stuurt vervolgens zijn zoon, denkend dat ze hem wel zullen respecteren. Maar de landbouwers beramen een plan: ze doden de zoon in de hoop zelf de wijngaard te erven. Uiteindelijk vraagt Jezus aan zijn toehoorders wat de landeigenaar zal doen wanneer hij terugkomt.
Met deze gelijkenis confronteert Jezus de religieuze leiders met hun falen om Gods wil te begrijpen en te gehoorzamen, en om hen te waarschuwen voor de consequenties van hun handelen.
Wanneer Jezus de vraag krijgt welke van alle geboden het belangrijkst is dan komt op de eerste plaats de liefde voor God en het op een na belangrijkste de naastenliefde.
In hoofdstuk 13 waarschuwt Jezus zijn volgelingen dat alle stenen gebouwen rondom hen zullen worden vernietigd. Ook zij zullen vele uitdagingen moeten doorstaan bij het uitdragen van het evangelie. Hij roept hen op om waakzaam te zijn.
In hoofdstuk 14 wordt Jezus gezalfd met olie door een vrouw tot ontevredenheid van zijn volgelingen. Jezus echter ziet dit als een stap naar zijn aangekondigde dood. Hier wordt ook vermeld dat Judas Iskariot naar de hogepriesters ging om Jezus te verraden. Tijdens het laatste avondmaal voert Jezus de rituelen van het breken van het brood en het drinken van de wijn uit. Hij vermeldt ook dat één van hen Hem zal verraden. Tegen Petrus zegt Hij dat Petrus Hem 3 x zal verloochenen nog voor de haan tweemaal gekraaid heeft.
In de hof van Getsemane trekt Hij zich terug met Petrus, Jakobus en Johannes. Hij bidt tot God en verkerend in grote twijfel, vraagt Hij Hem de beker aan Hem te laten voorbijgaan. Terwijl Hij Petrus, Jakobus en Johannes verwijt dat ze in slaap zijn gevallen, komt Judas met zijn gevolg aan en verraadt Judas met een kus Jezus. Opvallend is dat Jezus vermeldt dat de manier van arrestatie zo moet gebeuren omdat de Schriften in vervulling moeten gaan en zoals voorspeld was door Jezus zal Petrus hem tot 3x verloochenen.
In hoofdstuk 15 wordt Jezus voor Pilatus geleid. Pilatus stelt het volk voor de keuze wie hij moet vrijlaten. Het volk kiest Barabbas en roept om de Jezus te kruisigen. Jezus krijgt een doornkroon en moet zijn Kruis dragen naar Golgotha waar hij tussen 2 misdadigers aan het kruis wordt genageld en bespot door voorbijgangers sterft Hij. Zijn lichaam wordt van het kruis gehaald in een graf gelegd uitgehouwen in een rots afgesloten met een steen.
In hoofdstuk 16 op de eerste dag na de sabbat gaan Maria Magdalena, Maria (moeder van Jakobus) en Salome naar het graf van Jezus om zijn lichaam te zalven. Ze ontdekken dat de steen van het graf is weggerold en zien een jonge man (een engel) zitten in het graf, gekleed in een wit gewaad. De engel vertelt hen dat Jezus is opgestaan en dat ze zijn leerlingen moeten vertellen dat Hij naar Galilea zal gaan. De vrouwen zijn bevreesd en vluchten weg, en zeggen niets tegen iemand, uit vrees. Jezus verschijnt eerst aan Maria Magdalena, uit wie Hij zeven demonen had uitgedreven. Maria Magdalena vertelt dit aan de discipelen, maar ze geloven haar niet. Jezus verschijnt vervolgens aan de elf discipelen terwijl ze aan het eten zijn. Hij verwijt hen hun ongeloof en geeft hen de opdracht om uit te gaan over de hele wereld en het goede nieuws te verkondigen aan alle schepselen. Hij belooft tekenen die de gelovigen zullen vergezellen, zoals het uitdrijven van demonen, spreken in nieuwe talen, slangen oppakken en gif drinken zonder schade te lijden, en zieken genezen door handoplegging. Nadat Hij dit gezegd had, werd Jezus opgenomen in de hemel en zat aan de rechterhand van God. De discipelen gingen uit en predikten overal, terwijl de Heer hen hielp en bevestigde met tekenen.




Opmerkingen